Het schaduwkabinet: week 06 – 2019

Gong Xi Fa Cai! En varkens in koekvorm mag iedereen eten. Wij hebben het varkentje ook gewassen in onze lijstjes van het:

SCHADUWKABINET

We luisterden naar: Beirut, Peter Broderick & Friends, Daughters Of Jerusalem, Ex:Re, Girlpool, The Girl Who Cried Wolf, Immigrant, Moonbloom, Bob Mould, Opel, Prefab Sprout, The Residents (2x), Rustin Man en Nick Zammuto. En gingen naar: Esben And The Witch

 


 

Jan Willem

Beirut – Gallipoli (cd, 4AD)
De Amerikaanse band Beirut, rond multi-instrumentalist/zanger Zach Condon, is ondanks een nogal ander geluid dan je van het 4AD label gewend bent, daar toch goed genesteld. Beirut valt met de eerste twee albums Gulag Orkestar (2006) en The Flying Club Cup (2007) meteen op door Americana met Balkan-geluiden te combineren. Op The Rip Tide (2011) gaat het roer om en brengt de groep folk geïnjecteerde indiepop, die bijzonder fraai is. Vier jaar later verschijnt No No No, die daarop verder borduurt maar in vele opzichten tegenvalt. De lengte van 29 minuten is mager en de muziek is voldoende maar niet het gedroomde vervolg. Er is ook niets blijven hangen en dat is meestal geen goed teken. Maar om Beirut nu af te schrijven gaat ook wat ver. Dat blijkt maar weer uit zijn nieuwste worp Gallipoli, waar hij 12 nieuwe songs laat horen die samen een kleine drie kwartier duren. Condon legt de basis net als op zijn eerste album weer eens met zijn Farfisa-orgel en kennelijk is dat nodig om zich te herpakken. Ook zijn verhuizing naar Berlijn en het opnemen in een studio in Italië dragen allemaal op positieve wijze bij. Zo ziet hij in her stadje Gallipoli een brassband die de gloed en passie terugbrengt, die hij schijnbaar ergens was kwijtgeraakt. Verwar de naam niet met de desastreuze Slag om Gallipoli, die overigens in Turkije plaatsvond, want Condon en de zijnen hebben hier de slag te pakken en gewonnen. Ze brengen muziek die het midden houdt tussen de eerste drie albums, met lekker veel blaaspartijen en die emotioneel geladen zang. Ook de sfeer is weer ouderwets melancholisch. Het is overigens geen herhaling van zetten, want her en der is het ook wel anders of experimenteren en improviseren ze meer. Kortom, daar waar het toen “nee nee nee” was, is het hier een volmondig JA!

https://open.spotify.com/playlist/5tuUrn4UyEvzlR8uWRrKE8

 

Peter Broderick & Friends – Play Arthur Russell (cd, Inpartmaint)
Loch Lomond, Horse Feathers, Oliveray, Efterklang, Norfolk & Western, Flash Hawk Parlor Ensemble, The Beacon Sound Choir en samenwerkingsverbanden met Machinefabriek, Jonathan G Winther, Takumi Uesaka, Heather Woods Broderick, The Album Leaf, Penelope Joy, Rauelsson, Laura Gibson, Laura Arkana en Chantal Acda hebben één gemene deler en dat is de supergetalenteerde componist en multi-instrumentalist Peter Broderick. Hij heeft zowel neoklassiek en abstracte muziek als pop, hip hop en ambient op zijn menu staan Deze duizendpoot heeft een grote liefde voor de muziek van Arthur Russell (1951-1992) ontwikkeld, ook één van mijn grote helden trouwens. Russell is eigenlijk net zo veelzijdig als Broderick, die ook vele instrumenten heeft gespeeld en diverse genres heeft doorkruist. De bal om zijn werk te spelen is aan het rollen gebracht in 2017, toen zijn voormalige Efterklang mede bandlid Rasmus Stolberg hem voor zijn festival vraagt songs van deze held te spelen. En dan gaat Broderick zich helemaal verdiepen in Russell, zowel zijn psyche als zijn onuitgebrachte en andere materiaal, waar hij al gauw toegang tot krijgt. In de staat Main, waar een groot deel van Russell’s familie woont en waar Broderick is geboren begint hij met zijn “vrienden” aan Play Arthur Russell. Deze is in Japan uitgegeven op eerste kerstdag 2018, dus met de verzendtijd erbij mag je deze als nieuw beschouwen. Saillant detail is dat de hoesontwerp van Rutger Zuydervelt (Machinefabriek) is. Onder de vrienden bevinden zich de nicht Rachel Henry (zang) en neef Beau Lisy (percussie) van Arthur plus David Allred (trompet), Hamilton Belk (pedal steel), Peter McLaughlin (drums, percussie, zang), Jerusha Neely (zang), Ora Cogan (zang), Brigid Mae Power (zang), haar zoon Seán Power (spoken word) en alleskunner Daniel O’Sullivan (Mothlite, ex-Guapo, Miasma & The Carousel Of Headless Horses, ex-Ulver, Grumbling Fur, Æthenor, Miracle) hier op bas. Een ware supergroep om een eerbetoon te brengen aan zijn held. Dat levert een geweldig smaakvol album op, dat fans van beide artiesten wel zal aanspreken. Uiterst gelimiteerd (50 cd’s, plus nog wat op vinyl en cassette), dus haastige spoed is hier goed.

 

Daughters Of Jerusalem – Banat Al-Quds (cd, Kirkelig Kulturverksted / Xango Music Distribution)
Voor verbindende, grensverleggende, grensoverstijgende, innovatieve en gewoonweg wonderschone muziek kan je gerust bij het Noorse Kirkelig Kulturverksted label aankloppen, want die grossiert daarin en dikwijls voldoen de artiesten uit hun stal aan meer dan één categorie. Dat geldt zeker voor de groep Daughters Of Jerusalem, die nu hun cd Banat Al-Quds het licht laten zien, hetgeen overigens de groepsnaam in het Arabisch is. Het betreft een groep van 25 jonge Palestijnse vrouwen die in het Oosten van Jeruzalem zijn opgegroeid en gestudeerd hebben aan de Edward Said National Conservatory Of Music. Hoewel Jeruzalem zoiets betekent als “stad van de vrede” is de werkelijkheid nogal anders. Ze laten hier liederen horen die meer gaan over “hun” stad als ideale plek waar geloven wel naast elkaar in vrede kunnen leven. Een paar zijn er geschreven door wijlen Rim Banna, maar andere zijn ouder. Van de 25 zingen er 19 en spelen er 7 een instrument (qanûn, percussie, cello, contrabas), waarbij ze nog mogen rekenen op gasten op fluit, oud en klarinet. Maar dat is niet alles, want ze brengen ook duetten met het Princeton Girlchoir en Det Norske Jentekor. Twee meidenkoren, respectievelijk uit de VS en Noorwegen, die nog eens voor extra vocale power zorgen. Soms neigt het een beetje naar kinderlijke kerstliedjes en is het minder interessant, maar het leeuwendeel bestaat uit werkelijk hemelse harmonieën en muziek van een serene, sedatieve soms bijna sacrale schoonheid. Een volslagen unicum.

 

Ex:Re – Ex:Re (cd, 4AD)
Het 4ad label is denk ik wel het meest vertegenwoordigd in mijn muziekcollectie. Hoewel ze in de jaren 80 en 90 een grotere impact hebben gehad, komt er nog altijd zeer fraaie muziek naar buiten. Neem bijvoorbeeld het Londense trio Daughter, dat er vanaf 2013 muziek uitbrengt. Hun mix van licht mysterieuze, onderkoelde en bitterzoete indiefolk, wave en droompop past als een jas op het label van weleer. Oorvanger zangeres/gitariste/toetseniste Elena Tonra uit die groep gaat nu solo als Ex:Re. Op haar gelijknamige debuut mag ze rekenen op diverse muzikanten op cello, synthesizer, drums, bas, percussie-instrumenten en zang. Daarmee laat ze een heerlijk mysterieus en gruizig geluid horen, dat de gemiddeld 4ad-fan wel zal bevallen. Ze houdt het zwoele midden tussen The xx, Suzanne Vega, Soap & Skin, Lisa Germano, Swallow, Cat Power en Belly. In ruim drie kwartier laat Elena een verpletterende indruk achter.

 

Girlpool – What Chaos Is Imaginary (cd, Ant-)
Sinds 2014 vormen zangeres/bassiste Harmony Tividad en zangeres/gitariste Cleo Tucker de groep Girlpool, waarmee ze na een gelijknamige mini uit dat jaar in 2015 het debuut Before The World Was Big uitbrengen. Wat direct in het gehoor springt is de catchy maar licht bijtende zang en hun pakkende altpop en lo-fi. Daar gaan ze met Powerplant met gemak overheen. De groep gaat niets uit de weg, is open over bijna alles en dat alleen al maakt ze uniek. Cleo blijkt transgender persoon en is in transitie geweest. Hij zingt nu een octaaf lager en is dus de nieuwe zanger die te horen is op hun derde cd What Choas Is Imaginary. Dat maakt de nog altijd harmonieuze zang anders, maar nog steeds erg goed. Hoewel ze nu ook wel los van elkaar op verdienstelijke wijze zingen. Ze zijn verder meer los van elkaar muziek gaan schrijven, wat ze ook weer op andere ideeën heeft gebracht. Zo brengen ze nu soms stevige shoegaze, maar daarnaast ook heel gevoelige nummers met prachtige orkestraties. Het maakt wel dat het minder consistent is, met veel fraaie momenten. Denk aan een kruisbestuiving van Waxahatchee, Lush, That Dog, Belly en Elliott Smith. Girlpool blijft zich op alle gebieden ontwikkelen en dat maakt ze leuk, al voelt dit wel een beetje als een overgangsalbum.

 

The Girl Who Cried Wolf – A(R)MOR (cd, The Girl Who Cried Wolf)
In 2013 herrijst vanuit de as van Velvet Summer de vijfkoppige, Belgische formatie The Girl Who Cried Wolf. Met hun cdep Ohm (2014) vormen ze een heel grote belofte, die ze op hun debuut Ruins (2015) volledig inlossen. De nachtelijke, licht melancholische en mysterieuze mix van postrock en trip hop, die ze soms aandikken met jazz en klassieke elementen, weet je volledig in te pakken. De prachtig bitterzoete zang van Heleen Destuyver en het stemmige, gevarieerde cellospel van Sofie Swegers, die tevens de keyboards voor haar rekening neemt, zijn bijzondere oorvangers. Maar ook de overige bandleden weten met gitaar, bas en drums de boel fraai in te kleuren. Vorig jaar verschijnt eerst de mini Three Beggars And A Thief, die helaas aan me voorbij is gegaan. Eind november volgt nog hun tweede, in eigen beheer uitgebrachte cd A(R)MOR, die vooralsnog enkel bij hun optredens verkrijgbaar is. Hierop worden Heleen en Sofie vergezeld door gitarist Samir Boureghda, drummer Michael-John Joosen (tevens zang) en de nieuwe bassist Casper Heijstee. Ze mogen daarbij rekenen op gastbijdragen van muzikanten op klarinet, violen, altviool en zang. Hoewel de ingrediënten van hun vorige werken nog altijd aanwezig zijn, hebben ze nu tevens post-punk en noise toegevoegd aan hun geluidpalet. Hierdoor klinken ze grimmiger, zonder in te boeten op die mysterieuze, duistere schoonheid. Dat levert een bij de strot grijpend geheel op, dat imponeert door de bundeling van kracht en pracht, zij het dat ze ook meer rustieke, subtiele stukken laten horen. Denk bij dit alles aan een sublieme kruisbestuiving tussen Esben And The Witch, Chelsea Wolfe, Glenn Branca, Flying Horseman en Portishead. Ik kan je enkel aanraden ze snel te zien om deze overrompelende beauty te kunnen bemachtigen.

 

Immigrant – The Empress (cd-r, Unmei)
De Schotse singer-songwriter Graeme McNab timmert al sinds 2002 met het alias Immigrant aan de weg. Hij laat online weinig van zich horen, waardoor hij zich behoorlijk in de schaduw beweegt, wat hem ook wel iets mysterieus meegeeft. Toch zou deze klasbak gerust eens op de voorgrond mogen treden, want zijn muziek zal de harten sneller doen kloppen bij de liefhebbers van Greg Weeks, Iron & Wine, Gareth Dickson, Nick Drake, Raoul Vignal, James Vincent McMorrow en Boduf Songs. In het verleden heeft hij op ook samengewerkt met onder meer King Creosote. Nu presenteert hij alweer zijn 16de album The Empress, die net als de pas verschenen heruitgaven van zijn oudere werken, gestoken is in een gevouwen digipack-achtige hoes, waarop een foto is geplakt en waarin een kleine enveloppe zit met daarin twee papieren met de info. Dat alles is weer in een bruin papieren zakje gedaan dat dichtgehouden wordt met een knijpertje, waar ook een briefje met de albumtitel onder zit. Meer DIY dan dit kan je het niet krijgen, hoewel deze cd ook in duurdere knutseledities verkrijgbaar is. De muziek past weer vertrouwd bij de genoemde referenties. McNab begeleidt zijn fluweelachtige, herfstige zang op akoestische gitaar, piano, percussie, orgel, synthesizer en andere subtiele ingrediënten. Dat levert 10 songs vol troostvolle verstilde pracht op. McNab weet op zachte wijze diepe indruk te maken en gevoelige snaren te raken. De tracks hieronder zijn van een ander album, want iets anders vind je niet van hem. Ze zijn wel redelijk representatief voor hetgeen hij doorgaans brengt.

 

Moonbloom – Callisto (mcd-r, Reverb Worship)
Moonbloom is het alias van de Amerikaanse gitarist Wayne J. Tirone, die zijn inspiratie haalt uit de natuur maar ook uit psychedelische muziek, drones en experimentele muziek. Hoewel hij al meer dan een decennium muziek maakt, is er nog niet heel veel werk van hem verschenen. Althans niet op een officieel album. Het innovatieve Reverb Worship brengt daar verandering in door nu de mini Callisto uit te brengen. Hierop vind je 4 instrumentale tracks, van samen ruim 21 minuten, die op uiterst gruizige wijze een mix van noise, psychedelische rock, spacerock, experimentele muziek, drones en spontane uitbarstingen van geluid. In zijn geluidsexploitaties zitten zoveel emoties, die je meteen bij de strot weten te grijpen. Hij doet soms denken aan de beginwerken van Smog, maar ook Bruce Russell, Roy Montgomery, Bill Horist en wijlen Glenn Branca behoren tot de associaties. Daarmee levert Tirone een ongepolijst, schitterend kleinood af.

 

Bob Mould – Sunshine Rock (cd, Merge / Konkurrent)
De legendarische Amerikaanse zanger/gitarist Bob Mould weet maar liefst 40 jaar kont te schoppen. Dat begint in 1979 meteen goed met de geweldige formatie Hüsker Dü, waarmee ze tot 1988 diverse sterke albums uitbrengen. Het excessieve alcohol- en drugsgebruik van bandlid Grant Hart (later Nova Mob) en de zelfmoord van de manager van de groep zorgt dat ze uiteengaan. Mould gaat solo en met de groep Sugar gewoon sterk door, om uiteindelijk volledig door te gaan onder zijn eigen naam. Op de tussendoortjes met Blowoff en BobMouldBand na dan. De laatste paar albums van zijn hand klinken weer ouderwets energiek en hard, waarbij hij geestelijke strubbelingen (onder meer het overlijden van zijn beide ouders) omgezet heeft in muziek. Nadat Trump president is geworden, vertrekt Mould uit de VS en vestigt zich in Berlijn. Van daaruit komt nu zijn nieuwe album Sunshine Rock. Hij schiet hier meteen fel uit de startblokken. Stevige rock en noise van waaruit een positieve energie uitgaat. En met een paar instant klassiekers en een heel fraaie cover van Shocking Blue’s “Send Me A Postcard”. Het is net zo vertrouwd en pakkend als eigenzinnig en tegendraads. Dit is muziek zoals alleen Bob Mould die kan maken. Muziek die nog jaren voort kan en als voorbeeld dient voor de komende generaties.

 

Opel – Sand And Stone Suite (cd-r, Reverb Worship)
Opel is een Britse groep die actief is van 1994-1999. Ze worden wel gerekend tot de “wicker-folk” , wat folkmuziek is die in feite een ode brengt aan de horrorklassieker The Wicker Man uit 1973. In praktijk betekent dit veelal een mix van acidfolk, psychedelische rock en pastorale folk. De groep bestaat uit gitarist Warren Wilson en zangeres Claire Colley. Die laatste beschikt over een erg mooi stemgeluid, dat met doet denken aan een kruising van Meg Baird, Elizabeth Fraser en Jacqui McShee (Pentangle). Muzikaal gezien misschien het dichtst bij die laatste band, al heeft Opel vooral een heel eigen meeslepende sound. Deze wordt soms enkel gevormd door zang en gitaar; simpel maar heel doeltreffend. Ze brengen niet veel uit, maar het fijne Reverb Worship zorgt ervoor dat de groep niet vergeten wordt. Na een eerdere cd-r brengt het nu de compilatie Sand And Stone Suite uit. Daarop vind je niet eerder uitgebrachte demo en tracks (waaronder een fraaie Spirit cover) en een aantal herziene versies van oude nummers. Het levert ruim 36 minuten aan authentiek en beeldschoon materiaal op. Het is een groot goed dat deze muziek niet verloren is gegaan. Daarbij is dit gestoken in een dvd-hoes waarbij ieder exemplaar van een unieke stof is voorzien. Ook daar is aan gedacht en maakt dit allemaal extra fraai.

 

Prefab Sprout – I Trawl The Megahertz (cd, Sony Music)
Ik ken de groep Prefab Sprout al behoorlijk lang, maar vind er op een paar nummers na, hele fraaie overigens, niet zo gek veel aan. Beetje saai zelfs. Daarom ben ik de groep niet blijven volgen en heb ik ook geen notie genomen van het solodebuut I Trawl The Meghertz van zanger Paddy McAloon uit 2003. Dat laatste is wel echt een gemis, maar is kennelijk door velen gemist, want het album wordt nu in geremasterde versie uitgebracht en dan als een album van Prefab Sprout. Het is een modern klassiek album, uitgevoerd door een strijkkwintet (violen, altviool, cello, contrabas) en muzikanten op stem, klarinet, trompet, vleugelhoorn, tenorsaxofoon, keyboards, percussie en programmering. De cd opent met de 22 minuten durende titeltrack, waar ene Yvonne Connors haar spoken word laat horen. Het is een intens en meeslepend stuk. Daarna volgen kortere klassiek getinte en minimal music stukken, die emotioneel geladen zijn en de luisteraar ook aan de lurven weet mee te sleuren. Het doet me denken aan specifieke werken van Gavin Bryars (Jesus Blood Never Failed Me Yet, John Adams (On The Transmigration Of Souls) en Robert Moran (Desert Of Roses). De connectie met zijn band is ver te zoeken, wat niet uitmaakt. Het is genieten van deze filmische pracht, die terecht nog eens onder de aandacht wordt gebracht.

 

The Residents – Eskimo (2cd, Cherry Red)
The Residents – Commercial Album (2cd, Cherry Red)
Op het Residents-forum vroeg iemand wel terecht wat er nu zo leuk is aan al die heruitgaven die op het Cherry Red label in de zogeheten “pREServed”-serie worden uitgebracht. Het zijn geremasterde, noem het verbeterde versies van de originele albums, aangevuld met een hoop bonusmateriaal. Ik ben toch echt fan geworden met die “slechtere” versies. Maar toch. Aan de ene kant is het gewoon weer een feest om de muziek weer eens te horen en anderzijds zijn de vele toevoegingen dikwijls de moeite waard. Nu valt de beurt aan de klassieker Eskimo uit 1979 met die iconische oogballenhoes. Het schijnt het best verkochte Residents album te zijn, wat me wel enigszins verbaast. Het is één van de weinig ambient-achtige albums die ze gemaakt hebben, die grofweg gezegd klinkt als een fascinerende poolwind waardoor je merkwaardige flarden stemmen en zang hoort. Bepaald niet toegankelijk, maar wel echt een zeer biologerend album. Op de eerste schijf krijg je het originele album dat ruim 39 minuten lang is en 6 nummers breed. Deze wordt aangevuld met twee niet eerder uitgebrachte tracks, te weten “Eskimo (1978 demo)” en “Eskimo (Acapella Suite)”, die samen voor 35 minuten een heerlijke addendum vormen op het album. Schijf 2 brengt nog eens 20 tracks, die bestaan uit niet eerder uitgebrachte studio- en livenummers, demo’s en ruwe versies. Een deel van de extra’s heb ik al, want die staan er eerder op het originele album ook al bij (als The Replacement) of op één van de vele compilaties. Bijna 74 minuten lang word je ondergedompeld in de bevreemdende wereld van The Residents, hetgeen ook 40 jaar later genieten geblazen is.
De volgende in de serie is het uit 1980 afkomstige Commercial Album en één van de eerste albums die ik van hen heb gehoord. Hier tref je The Residents op hun conceptuele best. Ze stellen namelijk dat een song bestaat uit coupletten en een refrein. Hiervan wordt een deel steeds herhaald. Doe je dat niet, of zoals zij stellen “cut out the fat”, dan houdt je één couplet en een refrein over en ben je na 1 minuut klaar. Veel commercials hebben destijds ook de lengte van een minuut. En zo kom je tot de Commercial Album, dat alles behalve commercieel is. Het album is al eens in een versie verschenen met als extra Residue, waarop onder meer geweldige covers staan als “Jailhouse Rock”, “This Is A Man’s Man’s Man’s World”, “Hit The Road Jack” en “We’re A Happy Family”. Alleen die laatste is hier als extra op de eerste schijf aanwezig, maar verder zijn het vooral niet eerder verschenen korte stukken. Hieronder ook “Kraftwerk”, die het midden houdt tussen een parodie en een hommage. Ruim een uur later en 41 songs verder, wordt het tijd voor de tweede schijf, waar in drie kwartier nog eens 24 tracks voorbijkomen, die bestaan uit alternatieve, ruwe, live, dvd, compilatie, Icky Flix en Residue versies. Ook dit zorgt weer voor een klein feestje.

 

Rustin Man – Drift Code (cd, Domino)
Bij sommige artiesten vraag je jezelf echt wel eens af wat ze bezielt. Zo neemt Mark Hollis, frontman van Talk Talk en één van mijn favoriete bands ooit, na zijn solodebuut het besluit om nooit meer iets uit te brengen en zelfs afstand te nemen van de muziekindustrie. Paul Webb en Lee Harris uit die band komen erna als O.Rang terug, maar laten dat eind jaren 90 voor wat het is, terwijl er een album op de planken schijnt te liggen. Harris duikt lang geleden nog op bij Boymerang en Bark Psychosis en Webb bij James Yorkston, Dez Mona en in 2002 als Rustin Man naast Beth Gibbons (Portishead) met hun prachtige album Out Of Season, waar Harris ook op meewerkt. Maar liefst 17 jaar later komt Rustin Man met Drift Code, waarop 9 songs staan. Webb (zang, piano, gitaren, Mexicaanse gitarron, bas, Hammond orgel, Jupiter 8, wurlitzer, xylofoon, accordeon, harmonica, geluidseffecten) brengt zelf al veel, maar krijgt toch hulp van 10 muzikanten op drums, sitar, Joodse harp, tamboerijn, eufonium, trompet, trombone, vleugelhoorn, Franse hoorn, clavioline, surdo, pandeiro, bellen, viool, altviool, cello, fluit, klarinet en zang. Onder hen ook Lee Harris, James Yorkston, z’n dochter Grace Webb en z’n broer Sam Webb. Ondanks de vele bijdragen heeft hij er toch een behoorlijk stemmig geheel van gemaakt. Het is echt wel anders dan zijn vorige werk, wat mede komt door zijn zang die het midden houdt tussen Peter Hammill en David Bowie. Muzikaal gezien gaat hij zijn eigen gang, zowel qua genre als aanpak. Hij heeft namelijk de instrumenten één voor één opgenomen met steeds 6 microfoons, die op verschillende afstanden van het instrument staan. Het levert subtiel maar rijk gedetailleerde muziek op die van een smaakvol melancholisch vernis is voorzien. Het is een sterk en wonderschoon album geworden, waar je telkens weer iets nieuws ontdekt. Kijk alleen maar eens goed naar de cover. Hopelijk een definitieve terugkeer!

 

Nick Zammuto – We The Animals (cd, Temporary Residence Ltd / Konkurrent)
De Amerikaanse muzikant Nick Willscher Zammuto vormt van 2000 tot 2010 samen met de Nederlandse artiest Paul De Jong het bijzondere duo The Books, die een soort speelse collagepop maken in combinatie met allerhande experimenten. Tijdens The Books brengt Nick ook al solowerk uit, maar die komen niet echt bovendrijven. Na The Books gaat hij verder met Zammuto, nu als heuse band. Hiermee laat hij twee speelse albums het licht zien vol lo-fi, krautrock, post-rock, indiepop, trip hop en leftfield elektronica, waarmee hij wel succes boekt. Nu is hij terug zonder band, vandaar dat zijn voornaam er ook bij staat. Hij heeft de soundtrack geschreven voor de film We The Animals van Jeremiah Zagar. Zammuto heeft 26 korte stukken geschreven. Met synthesizers, veldopnames, samples, beats en andere elektronica creëert hij een volslagen eigenzinnig geheel, dat zowel stemmig als speels is. Daarmee levert hij bepaald geen doorsnee soundtrack af, die fans van The Books ook zeker zullen waarderen.

 

Esben And The Witch, live 3 februari 2019 @ TivoliVredenburg – Club Nine
Het is een hele klim naar Club Nine in TivoliVredenburg. Eenmaal bovengekomen lijkt het wel of we op de receptie van een begrafenis terecht zijn gekomen. Een donkere zaal vol ernstige gezichten met muziek die ook alleen maar de nacht verdraagt. Serious business. “Hè gezellig!” roep ik dan maar luid, wat voor een beetje rumoer zorgt. Hoog tijd dat de band gaat spelen. Esben And The Witch heb ik niet eerder gezien en ik zie er dan ook naar uit. In een nevelige sfeer komen Rachel Davies (zang, bas), Daniel Copeman (drums, elektronica, synthesizer) en Thomas Fisher (gitaar) op. Ze spelen hun set een tikje naar binnen gekeerd, maar de muziek is meer dan overtuigend. Het is allemaal nog wat harder, grimmiger en explosiever dan op hun albums en weet me te grijpen. Ik ben overigens naar voren gelopen omdat het leek alsof Rachel op haar knieën speelde, maar ze blijkt gewoon heel klein. Zij is ook wel echt één van de oor- en blikvangers van de avond. Al met al een geweldig optreden. (foto’s door Marcel Bekkenk)

Comments

comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.