Jaarlijst 2017: Ludo

Mac DeMarco - This Old Dog

10. Mac DeMarco – This Old Dog

Ken uzelve, ken uw smaak. Mijn eindejaarslijst móest wel aftrappen met een slackerende thuisknutselaar. De droogkloot op het zolderkamertje, in zijn kleine wereld der nachtmuziek. Er waren nog veel meer kandidaten voor deze luie tiende positie. Real Estate zag (en zong) het goed. ‘I have music all around me, bringing timeless melody’. De Nederlandse Feelies van Nouveau Vélo maakte eveneens een kek nieuwe plaatje – het verkleinwoord was zelden toepasselijker. Ook hun grote voorbeelden deden dit jaar ‘on the level’ mee. Ik kies echter voor de coolste van het stel. Mac DeMarco. Al tijden bezig, zonder veel aan zijn softrock-stijl (of hardrock-tanden) te sleutelen. Een oude hond leer je nu eenmaal geen nieuwe gitaartrucjes. Kortom, trek snel de comfortabele trui van ons moeder aan, en droom weg op een potje sweater songs. ‘Don’t let the world outside the windowpane get to your head.’

9. Vince Staples – Big Fish Theory

Ik houd van albums die als een eeuwige interlude klinken, een tussengedachte vormen, waarin geen druk heerst, en niks moet. Noem het de Tristram Shandy-vibe, naar het boek van Laurence Sterne, dat nooit écht begint. In al die zeeën van tijd kan men lullen, of vals naar de meisjes fluiten, iets dat Vince Staples ook graag doet. Op Big Fish Theory ‘boomt’ de rapper eigenlijk weinig boeiends. Hij heeft wél moddervet boomende baslijnen meegenomen. Het resulteert in onversneden vet geluid. Staples toont op zijn rollercoaster langs 745 ideeën dat hiphop leeft, juist door spartelverse dwarsverbanden te leggen. De Californiër dirigeert de rave-gilletjes en UK garage-beats. Overdag, maar vooral ‘s nachts. ‘Party people, I like to see you dance.’ In de hit Big Fish hoor je het zweet van de muren druipen, terwijl een snaredrum zo simpel als een metronoom de dansvloer alvast strak trekt. ‘You can get anything you want.’

8. Ibeyi – Ash

Alle Twitter-tags van dit politiek bewogen jaar komen bij elkaar op Ash. En het knappe is, er wordt niet gezeurd. Ibeyi danst op die barricades, fier met de vlag der positiviteit zwaaiend. Steek de borst(en) vooruit, met wat voor ‘body’ of ‘gender’ je ook bent gezegend. En ja, dat pleziert me too. ‘I wanna be like you.’ Muzikaal is Ash een risk it all-album. Niks bezuinigingen in tijden van streams. De juiste gasten zijn aanwezig, en de beatmakers hebben de vrije hand gekregen. Ibeyi’s liedjes tikken dankzij alle hulptroepen plots hippe vakjes aan. Zelfs de autotune reggaetonhit, ontbreekt niet. Saxofonist Kamesi Washington speelt als een moderne Pharaoh Sanders de spirituele sterren van de hemel. Maar wie er ook meedoet, altijd blijft de mysterieuze meerstemmigheid van de tweelingzusjes Diaz overeind. Zij omarmen de liefde in ons allemaal. En ze zenden een moedige transmission de wereld in. ‘Whatever happens, whatever happened.’

7. Angelo de Augustine – Swim Inside The Moon

Muziek kan me nooit depressief genoeg zijn. Dat loutert, verwerkt en overwint. Zo zag ik dit jaar een platenzaakoptreden van Zita Swoon, waar Infinite Down het hoogtepunt vormde. (‘Alone in my home…’) Ik moest me echt even op de U2-posters concentreren. Een vergelijkbare ervaring had ik lang geleden, met Pink Moon van Nick Drake. Angelo de Augustine zal iets vergelijkbaars zijn overkomen. Met Swim Inside The Moon brengt hij een ode aan Nick’s zwanenzang. Dat begint al bij de titel, en continueert zich in de gitaarstemmingen en het flardje pianowerk. Zelfs de speellengte klopt (28 minuten). Angelo raakt daarmee onvermijdelijk de juiste snaren. Dit is Grote Depressiemuziek. Ik stel me voor hoe hij de hazy lo-fi plaat in de badkamer opneemt, dicht bij de radiator. De microfoon rust op een handdoek. Met trillende stem zingt Angelo zijn levensvragen. ‘Could you be my, could you be my, could you be my love?’

6. Sufjan Stevens, Nico Muhly, Bryce Dessner, James McAlister – Planetarium

De banden tussen Sufjan Stevens en The National zijn al jaren goed. Sufjan speelde piano op Boxer, en zijn drummer McAlister zat in het ‘programmeerteam’ van Sleep Well Beast (check het prachtige Dark Side of the Gym). Bijgestaan door Dessner en Muhly maakte dit viertal Planetarium. Daarop fungeert Sufjan vanzelfsprekend als Poolster. Hij grijpt terug op het taaie geluid van Enjoy Your Rabbit. Gelukkig wordt er veel gezongen! Wanneer Sufjan in vocoder-style een routebeschrijving From A to B voordraagt, waardeer ik het nog. Via Ligetiaanse klankvelden en de hemellichamen van Holst landen we op Mercury. Het slotnummer is dé reden dat u de plaat hier treft. In de zomer haperde mijn lichaam. Dan dient muziek nog meer tot steun. Ik greep terug naar oude bekenden en hield ze stevig vast. Ook wanneer sterren uit de lucht vallen, en gitaren op zichzelf botsen, implodeert alles tot een nieuwe melodie. ‘Where do you run to?’

5. Jake Xerxes Fussell – What In The Natural World

Truckerpetje op, voor een echte gitaristenplaat. Met overslaande stem slingert JXF zijn folkblues de wereld in. De traditionalist heeft overduidelijk muzieklessen van Cooder en Atkins gehad. Een mens kan mindere leermeesters hebben. Fussell voegt er lekker veel twang aan toe. Het ultieme doel lijkt mij een liedje voor countryster George Strait schrijven, en dat zou Fussell zomaar kunnen  gaan lukken. Zeker wanneer hij op zijn volgende plaat een ‘adiós‘ aan Glen Campbell brengt. De magie van Fussell’s sound zit niet zozeer in de akkoorden (die kalm van A naar E wiegen). Het zijn de embellishments die het ‘m doen. Akoestisch gedacht, maar veelal elektrisch gespeeld, leidt Fussell ons ‘a-walkin and a-talkin’ door Americana-land, waar het zilver in de bergen altijd onbereikbaar blijft. Het gebrek levert weer eens goede muziek op. En wanneer al dat dwalen wat sloom dreigt te worden, luidt Fussell de vocale stoomfluit. Bound for some train. ‘Hug me, I’ve got plenty.’

4. Dizzee Rascal – Raskit

Ik heb altijd gelijk verkondigde Hermans ooit stoer. Zover zou ik op het gebied van ernstige hiphop niet durven gaan. Van Dizzee’s debuutplaat begreep ik destijds helemaal niks. En ook The Streets leek me een hype. (Een mening die Dizzee nu nóg deelt: ‘ I was on pirate radio way before I heard Mike Skinner.’) Op Raskit kijkt de Londenaar vooruit én terug, zoals het een veteraan betaamt. Het eerste woord van zijn vijfde album luidt ‘Future‘, en die concurrent is Dizzee hier de baas. Hij legt zijn oriëntaalse fluitje in Ghost op tafel, en wint glorieus. En dat zonder hulp. Voor de Rascal geen VIP-tribune aan gasten. Moeiteloos klept the man of the hour het uur vol. This man alway’s hot! Zodra de belletjes tevoorschijn komen, zitten we weer achter die middelbare schooltafel. Bassen zo hard als de kauwgom eronder. Reminiscend krijgt Dizzee de geest. Soulful. ‘There’s more to life than you know.’

3. Spinvis – Trein Vuur Dageraad

Er valt aardig formeel over dit kunststukje van Spinvis te spreken. Op zijn vierde plaat vindt hij de synthese die hij al een tijdlang zocht. Hij integreert zijn thuisknutsel-kluizenaarschap met het kleinkunstpodium. De elektronica en de akoestiek versterken elkaar, zonder nog gekunsteld aan te voelen. Daarmee lost hij de problemen van zijn vorige twee albums in één klap op. Hij maakt er iets heel Nederlands mee. Bijna Voskuijliaanse ambtenarenpop, die bij nader inzien zowel gepensioneerden als jongelui aan kan spreken. Fans van Leonard en Boudewijn vinden een ruggensteuntje, net als die van Belle & Sebastian en Edwyn Collins. Voor mij is Trein Vuur Dageraad bovenal een plaat over afscheid. Een serenade aan kleine mensen in de grote wereld, die even naast je staan aan de waterkant, op een ochtend in mei. Vervolgens vertrekken ze. Maar niet zonder je een besef van stabiliteit te brengen. ‘Kijk hoe lang je schaduw al is!’

2. The War on Drugs – A Deeper Understanding

Soms is mínder begrijpen beter. Terwijl ik door dit perpetuum mobile dwaalde, vond ik een laag, die The War on Terror, pardon, Drugs, helemaal nooit zo bedoelde. Zoals altijd met tekstuele misverstanden, gaat het nogal Freudiaans om iets dat toch al door mijn hoofd zweefde. ‘I’m moving through the dark, of a long black night, [..] and I’m thinking of the planes and it feels so very real’. Natuurlijk zingt Adam Granduciel voor zijn doen helder gearticuleerd ‘place’, maar toch schoot ik reflectief gestemd zestien jaar terug. Naar 9/11. Mijn halve leven ‘geleden’. De autorit van Granduciel roept blijkbaar nostalgie op naar een plek waar ik nooit was, verbeeldt in een eighties-sound die ik nooit écht heb meegekregen. Ook dit jaar vertrokken er weer tal van oude rockers richting stratosferen – zoals Gord Downie en Tom Petty – oudezielenband The War on Drugs hield ondertussen standvastig koers op hun hemelse groove. Deze mompelaars hoef je niks meer over vliegen te leren. ‘I’ve waited all my life to come.’

1. Sam Baker – Land of Doubt

Een bijzonder jaar, verdient een bijzondere plaat. Sam Baker raakt me al vijf albums lang. Zijn wonderlijke biografie wordt vaak aangehaald, maar eigenlijk heeft hij die background story niet meer nodig. Met Land of Doubt overtreft de getroebleerde Texaan zichzelf. Wederom. Hij reikt verder dan ooit. Natuurlijk blijven er ook dingen hetzelfde. Stamelend en haperend stommelt hij door verhalen over oorlog (‘Charlie fighting Charlie, just to stay alive’) en vrede (‘Sing it sister’). Tegelijkertijd wordt zijn tred elke plaat vaster. Baker kent de weg. Daar heeft hij geen zintuigen voor nodig. En ook geen Jandekiaans valse zangstem. Wanneer hem slechts cynische ‘lalala’s’ resten, nemen de arrangementen het over. De hoornist en de trompettist proosten op Chet Baker, een gebroken kompaan uit de Twijfelstaat. Sam Baker laat ook hen achter. Zonder label, maar met een ijzeren wil. Zijn ingehouden, soms erotische woorden stoppen alle gedachten. Ik kan alleen nog luisteren.

She’s a very nice girl
She does it very slow
It doesn’t hurt so bad
Cause she does it so slow
Peace out
She is letting me go