Het schaduwkabinet: week 45 – 2018

We hebben geen idee hoe de stemming verloopt in de VS, maar bij ons zit die er goed in met onze lijstjes uit het:

SCHADUWKABINET

We luisterden naar: Dorotá Barová, Dead Can Dance, Distance Light & Sky, Distel, Fofoulah, Sara Forslund, Lena Hessels, Heather Leigh, Spirit Fest, UT, Whispering Sons en Willard Grant Conspiracy.

 


 

Jan Willem

Dorotá Barová – Iluzja (cd, Animal Music)
De Tsjechische celliste en zangeres Dorotá Barová kom ik voor het eerst tegen in 2001 als helft van het enigmatische en wereldse neoklassieke duo Tara Fuki, dat ze er met met zangeres/altvioliste Andrea Konstankiewicz op nahoudt. Zij hebben inmiddels 5 prachtalbums uitgebracht. In 2012 verschijnt de dubbel cd Feat. van Dorotá Barová. Zoals de titel wellicht al doet vermoeden is dat geen soloalbum maar bevat deze werken van groepen waarin ze participeert, als volwaardig lid dan wel als gastmuzikant. Naast Tara Fuki vindt je namelijk terug in/bij Lenka Dusilová, Baterky, Janek Jaryn, Bucinatores Orchestra, DoMa Ensemble, Jaromír Honzák Quintet, Květy, Dura & Blues Club, FruFru, Jan Burian, River, Chorchestr, Asyl Akt, Kuzmich Orchestra en Vertigo Quintet. Met die laatste twee genoemde collectieven is ze nog altijd actief bezig. Ze gaat ook geen genres uit de weg en brengt van folk en neoklassiek tot alternatieve rock en jazz. Met Iluzja brengt Barová nu na al die jaren haar solodebuut. Daarbij mag ze rekenen op hulp van bassist Jakub Vejnar (Muff), gitarist Miroslav Chyška (Leaders!, Illustratosphere, J.A.R., Die El. Eleffant, Sexy Dancers) en pianiste en zangeres Beata Hlavenková (Baromantika, Eternal Seekers). Ze brengt in 10 nummers een fraaie kruisbestuiving van folk, neoklassiek, jazz, nachtelijke pop en lichte experimenten, waarbij ze varieert in hetgeen het ene moment meer boven komt drijven dan het andere. Daarbij mag je rekenen op haar prachtig etherische zang. Het is een meeslepend, melancholisch en authentiek geheel geworden. De titel mag dan “illusie” betekenen in het Pools, maar dit is echt wonderschoon.

 

Dead Can Dance – Dionysus (cd, PIAS)
Het in 1981 te Melbourne opgerichte Dead Can Dance is voor mij één van de grootste sleutelbands, die poorten naar de gothic, wereldmuziek, wave en neoklassiek hebben opengezet. Op etherische wijze balanceert hun albums tussen wereldmuziek, Middeleeuwse muziek, wave en pop. Daarbij mogen de stemmen van de stichters er ook wezen. De Australische Lisa Gerrard met haar bijzondere woordloze, mysterieuze zang is misschien bij het grote publiek bekender door haar vele soundtracks en soloalbums dan het werk voor Dead Can Dance. De Ierse muzikant Brendan Perry met zijn fijne herfstachtige zang heeft ook al twee solowerken gemaakt en één met Olivier Mellano. Nadat ze tot en met 1996 acht albums hebben uitgebracht komen ze in 2012 na een hiaat van 16 jaar terug met het wisselend ontvangen Anastasis. Ik ben dan vooral blij met het vertrouwde geluid en de terugkeer van één van mijn allergrootste muzikale helden. Zes jaar later is dan eindelijk de opvolger Dionysus een feit. Hierop varen ze weer eens een echt andere koers. Niet alleen zijn de 7 stukken verdeeld over twee langgerekte tracks of eigenlijk moet ik zeggen “Acts”, maar ook de muziek is veranderd. Deze is minder songgeoriënteerd ten gunste van een door sfeer gedreven bacchanaal oratorium, geïnspireerd door Dionysos, de Griekse god van wijn en extase. De muziek kent meer Afrikaanse, Oosterse en mediterrane elementen. Hierbij mengen ze naast instrumenten als oud, davul, fujara en hakkebord ook diverse veldopnames (van Zwitserse geitenhoeders en Zuid-Amerikaanse vogeloproepen tot Bijenkorven uit Nieuw-Zeeland). En volgens mij hoor ik ook de dames van Le Mystère Des Voix Bulgares tussendoor, waar Gerrard eerder dit jaar al een cd mee heeft gemaakt. De info over wie wat doet ontbreekt echter hier. Aan de ene kant is het volledig herkenbaar als Dead Can Dance, in hun betere periode welteverstaan, maar aan de andere kant klinken ze fris en anders. Ze leveren hier een ontzaglijk meesterlijk album af, waarop ze aantonen na 37 jaar nog altijd het verschil kunnen maken. Alleen die cover, sjonge!

 

Distance, Light & Sky – Gold Coast (cd, Glitterhouse)
Sinds 2014 is Distance, Light & Sky een heuse mini supergroep, waarbij de sublieme zangeres/gitarist Chantal Acda (Chacda, Sleepingdog, i-H8 Camera, Stasola, Isbells, True Bypass, COHO LIPS) met de naar Slovenië verhuisde Amerikaanse zanger/gitarist/producer Chris Eckman (The Walkabouts, Chris & Carla, Dirtmusic, The Strange, Höst, L/O/N/G, Midnight Choir) en de Belgische, experimentele percussionist Eric Thielemans (EARR, i-H8 Camera, Tape Cuts Tape, Jeff Dumoulin Trio, Ben Sluijs Quartet) een trio vormt. Nu mag je de bitterzoete, heldere zang van Acda gewoon al inlijsten, maar de bariton van Eckman, waar de herfstbladeren uit zijn strot lijken te vallen, mag er ook wezen en zorgt voor een schitterend contrast met de hare. Nu is hun eersteling Casting Nets al een prachtig, uniek en stemmig geheel geworden, hun tweede Gold Coast gaat daar met gemak overheen. In 9 tracks van samen ruim 38 minuten lang laten ze weer een sobere maar sterke en expressieve mix van folk, droompop, indie, altcountry en donkere blues horen. Daarbij gaan ze als emotionele sluipschutters te werk, want met enige regelmaat weten ze me echt tot tranen te roeren met hun muzikale voltreffers. Maar het is tevens troostvol, contemplatief en hoopgevend. Ook tekstueel weten ze diepe indruk te maken, soms heel eenvoudig maar herkenbaar en invoelbaar met zinnen als “When I don’t fit in / I am sure we will win / We won’t give in” in “Look At My Feet”. Ze zijn duidelijk geraakt door de wanorde en gehaastheid van deze tijd, maar lijken zich daar niet bij neer te leggen. Vandaar dat de muziek weliswaar uiterst melancholisch maar niet berustend is. Denk bij dit alles aan een steeds wisselende en meeslepende hybride van Mark Lanegan, Leonard Cohen, Low, Natalie Merchant, Tarnation, Glissando en Nick Drake. En de reden dat dit alle juiste knoppen en snaren raakt is misschien wel omdat het zo oprecht en schitterend uitgebalanceerd is. Wat een overdonderend meesterwerk!

 

Distel – Wapens (cd, Ant-Zen)
Het blijft genieten van die duistere output van Peter Johan Nijland, die al dan niet met anderen als Hadewych, Huttenkloas, Syntax Pony, Skymme en Norn naar buiten treedt. Met die laatste heeft hij het geweldige Usotsuki (2015) gemaakt dat het ook meteen naar mijn jaarlijst schopt. Dat zou ook gebeurd zijn als hij met het Nijmeegse duo Distel, dat hij als æter (zang, keyboards) er met ene scramasax (drums) op nahoudt, gedebuteerd had op cd (ja ja mijn fout). Maar hun fantastische debuut Puur komt in 2013 uit op lp met een 7” via het geweldige Enfant Terrible label. Pas in 2015 verschijnt er een cd versie via Ant-Zen, die later dat jaar ook hun tweede cd Zand, eigenlijk meer een verzamelalbum, het licht laat zien. Hoewel licht niet een term is die je snel zal gebruiken bij hun muziek. Ze blazen in feite de Nederlandse postpunkbeweging ULTRA nieuw leven in, hetgeen ze ook met hun label annex kunstcollectief Tuchtunie uitdragen. Het tweetal is nu terug met Wapens, waarop meteen duidelijk wordt dat hun geluid massiever en venijniger is geworden. Voorheen brengen ze op eigenzinnige wijze een donker melancholisch en licht hol geluid waar industrial, avant-garde, darkwave, postpunk en angstpop versmelten tot een mysterieuze poel des verderfs waar ook Coil, Depeche Mode, Skinny Puppy, Front Line Assembly, Joy Division, Autechre en Beaumont Hannant pootjebaden. Op hun nieuwste wapenfeit lijken ze dat met een portie rave en techno in het vuur te hebben gegooid, van waaruit zich als een krachtige feniks nieuwe muziek is herrezen. Massiever, meer monolithisch, maar ook meeslepender en nog interessanter en grimmiger dan voorheen. En toch in zekere zin ook ontwapenend. Ondanks de grillige en duistere kanten van dit album, brengt het een hoop bezinnende pracht.

 

Fofoulah – Daega Rek (cd, Glitterbeat / Xango Music Distribution)
Nee Fofoulah is geen Haags voor voorvoelen, maar een in Londen gevestigd Afro-dub collectief. In 2014 laat het zestal al hun gelijknamige debuut het licht zien, waarop ze een overheerlijke mix laten horen van Senegalese en Gambiaanse muziek met dub en funk. Dat het allemaal nog uitbundiger en vooral ook gevarieerder kan bewijzen ze wel op hun tweede wapenfeit Daega Rek, hetgeen “de waarheid” betekent. Kaw Secka (zang, sabar), Tom Challenger (keyboards, sampler), Dave Smith (drums), Johnny Brierley (bas) en Phil Stevenson (gitaar), hier vergezeld door gasten op zang en keyboards, laten dikwijls in een moordend tempo heerlijk opzwepende muziek horen. Het belangrijkste is de toename van de percussie-instrumenten en samples daarvan, die zorgen voor opzwepende stukken. Daarnaast zijn ze ook creatiever met de zang, die soms geïmproviseerd wordt, andere samples en de elektronica, wat het dikwijls een behoorlijk psychedelisch tintje geeft. Dat maakt het allemaal tot een smaakvol, kleurrijk en meeslepend feest, zoals alleen zij kennelijk kunnen geven.

 

Sara Forslund – Summer Is Like A Swallow (lp/vinyl, Kaip Musik)
Drie jaar geleden debuteert de Zweedse zangeres Sara Forslund met haar droomdebuut Water Became Wild, waarop ze stemmige, breekbare, zomerzwoele singer-songwritermuziek brengt voorzien van haar bitterzoete, narcotiserende prachtzang. Daarvoor is ze trouwens al te bewonderen in Birch And Meadow samen met David Wenngren (Library Tapes, Forestflies, Le Lendemain, Murralin Lane, Below Juneau, Xeltrei). Nu is ze terug met de lp Summer Is Like A Swallow, die geproduceerd is door John Wood (Nick Drake, Cat Stevens, Fairport Convention) en voor mij gelukkig op cd wordt aangeleverd. Ze levert hier in ruim 40 minuten 10 songs af die zich ergens tussen folk, singer-songwritermuziek, jazz en droompop nestelen. Samen met gasten op onder meer cello levert ze een rijk gedetailleerd maar sober album af, dat werkelijk van een verlammende schoonheid is. Denk daarbij aan een gevarieerde kruisbestuiving van Nick Drake, Gareth Dickson, Raoul Vignal, Trespassers William, Dévics, Mazzy Star en Nancy Elizabeth. Daarmee kan je gerust stellen dat ze hiermee een gedroomde opvolger van jewelste heeft afgeleverd.

 

Lena Hessels – Billow (mcd, Terp Records / Konkurrent)
Mensen vragen me wel eens of ik nooit moe word van de zoveelste muzikant op gitaar of überhaupt de zoveelste recensie. Ja na zo’n 27 jaar heb je dat wel eens, maar elk jaar zijn er diverse artiesten die het allemaal zo de moeite waard maken. Eén daarvan is de jonge artiest Lena Hessels, inderdaad de dochter van Terrie Hessels van onder andere The Ex. Dus met de muzikale paplepel zit het wel goed. Lena presenteert nu haar mini debuut Billow, waarop ze in 21 minuten 8 nummers de revue laat passeren. Ze begint met een voordracht in “Falling” , waarbij je verder wat onrustig geadem hoort. Qua eigenzinnigheid is de toon meteen gezet. De andere nummers brengt ze vooral met haar gitaar en emotioneel geladen bitterzoete maar zelfverzekerde zang. Vaak heel skeletachtig, maar toch veelzeggend en intens. Zoals een slim persoon ingewikkelde zaken eenvoudig uit kan leggen, zo kan Lena complexe muziek op sobere wijze brengen. Dat is niet alleen knap, het is ook van een ongerepte schoonheid. Daarbij geeft ze haar muziek op ludieke wijze franje met piano, orgel, diverse samples en andere geluiden; zo hoor je plots een pratend publiek, een telefoon, een waterig trompetgeluid, krakende sounds of andere, ondefinieerbare geluiden. Ze besluit het album met een prachtige, herftige pianosong. Het is allemaal subtiel en smaakvol gedaan en gedompeld in een prettig melancholische sfeer. Voer voor liefhebbers van Cynthia Dall, Mirel Wagner, Cat Power, Scout Niblett en Nina Nastasia. Wat een wonderschoon en diepgravend kleinood.

 

Heather Leigh – Throne (cd, Editions Mego)
Misschien zou je de Amerikaanse, tegenwoordig in Schotland woonachtige Heather Leigh bij de M moeten indelen, omdat ze voluit Heather Leigh Murray heet. Als muzikante neemt ze Leigh als achternaam aan. Hoe dan ook draait ze al even mee in de muziek, want ze is vanaf midden jaren 90 actief, eerst in de groepen Charalambides en Ash Castles On The Ghost Coast en later ook in Scorces, Jailbreak, Dream/Aktion Unit en Taurpis Tula. Verder werkt ze samen met Peter Brötzmann en heeft ze met anderen de mailorder annex platenwinkel en label Volcanic Tongue gerund. Vanaf 2002 verschijnen er met enige regelmaat solowerken van haar. Haar hoofdinstrumenten zijn de pedal steel en haar stem, hetgeen ze met van alles en nog wat aanvult. Ze komt veelal in de experimentele hoek uit. Op haar nieuwe cd Throne serveert ze 6 composities die tot stand komen met pedal steel, zang, synthesizer en drummachine, her en der aangevuld door David Keenan (bas) van onder meer Telstar Ponies en Taurpis Tula plus John Hannon (viool, synthesizer). De koningin van de pedal steel toont hier aan dat ze stevig op haar troon zit, want de muziek hier gaat je niet in de koude kleren zitten. Verontrustende, kille ballades vol vuige riffs en experimenten plus haar sirene-achtige zang zijn voldoende om je op de knieën te krijgen. Intensieve, duistere pracht die ergens het midden houdt tussen Grouper, Scott Walker, Carla Bozulich, Zola Jesus en Insect Ark. Grootse klasse!

 

Spirit Fest – Anohito (cd, Morr Music / Konkurrent)
Het Duitse The Notwist is een heus vliegdekmoederschip van waaruit een hoop andere groepen zijn uitgevlogen. Zanger/gitarist Markus Acher vind je naast die band ook terug in Rayon, Village Of Savoonga, Tied & Tickled Trio, 13 & God, Potawatomi, Alles Wie Gross en met zijn vrouw ook in Lali Puna. Vorig jaar komt daar ook Spirit Fest bij, waar Acher (zang, gitaar, marimba, mellotron) zich in goed gezelschap bevindt van Saya Ueno (zang, piano, keyboards) en Takashi Ueno (bas, akoestische gitaar) van het langlopende Tenniscoats, Mathew Fowler (gitaar, citer, zang, delay) uit Bons en Jam Money plus Cico Beck (drums, keyboards, elektronica, percussie) van Aloa Input, Joasihno en Ms. John Soda. De supergroep heeft inmiddels hun tweede album Anohito uitgebracht, waarop ze hun caleidoscopische mix van avant-pop, folktronica en speelse experimenten weer ten gehore brengen. Dat levert 7 zeer gevarieerde songs op, aangezien alle leden hun bijdrage leveren en elkaar steeds tot andere dingen aanzetten. Ook de vocale bezetting is afwisselend, net als de diverse talen waarin gezongen wordt. Alles is net zo veelkleurig, stemmig en mooi als de herfst. De muziek is dan ook lekker melancholisch, zij het dat er ook veel uitdagende en vrolijke details in de songs zitten die zorgen dat alles heel eenvoudig te verteren blijft. Ze brengen gewoon weer een ontzettend leuk eigenzinnig album.


UT – Early Live Life (cd, Out / Konkurrent)
Liveperformances van een groep van weleer die me niks zegt. Boeien! Ja dat toch echt wel, want eenmaal door de scepsisappel heen gebeten, weet ik dat UT een vrouwelijk trio is dat midden in de no wave scene van de jaren 80 in New York staat. Daar is een live album dikwijls net zoveel of misschien wel meer waard als een studiowerk, aangezien improvisaties de boventoon voeren. In 1987 verschijnt Early Live Life al eens op lp via het Blast First label. Nu komt deze ook op cd uit. De 16 tegendraadse tracks die ze hier ten gehore brengen, zorgen ook nu nog altijd voor een geweldige luisterervaring. Het is explosief, expressief en gewoonweg steengoed wat ze laten horen. Muziek als deze kan ook nu nog altijd mee. Een heerlijk eigengereid en behoorlijk bevreemdend album, dat zeer welkom is in de tijd dat veel wat braver is geworden.

 

Whispering Sons – Image (cd, PIAS)
Post-punk en nauw verwante genres als new wave en gothic zijn nooit helemaal weggeweest, alleen het wordt na de jaren 80 en 90 gewoonweg veel minder gemaakt. En ook zelden zo goed als de helden van weleer dat deden. Een band die van meet af aan kont weet te schoppen is het Belgische Whispering Sons. Hun mini Endless Party uit 2015 is al een aangenaam en veelbelovend visitekaartje. Nu is het in Brussel gevestigde vijftal terug met het volledige debuut Image. De groep bestaal uit Fenne Kuppens (zang), Kobe Lijnen (gitaar), Sander Hermans (synthesizers), Tuur Vandeborne (bas) en Sander Pelsmaekers (drums). En hoewel deze jonge honden waarschijnlijk eerder opgegroeid zijn met bands als Editors, She Wants Revenge en Interpol, grijpen ze met hun post-punk toch een stuk verder terug. Nu heeft Brussel sowieso een rijk muzikaal verleden, dus wat dat betreft is het ook weer niet zo verwonderlijk dat ze hier een overrompelend geheel neerzetten. In hun sound hoor je zeker bands als Joy Division, The Chameleons, Sisters Of Mercy, Cocteau Twins, The Cure, Fields Of The Nephilim en Siglo XX terug, maar nergens vallen ze in herhaling of klinken ze gedateerd. Dat laatste komt vooral door de opzwepende sound en de intense emoties die ze erin weten te leggen. Dit alles levert met enige regelmaat bergen kippenvel op, deels omdat het feest der herkenning is maar eveneens omdat ze zich echt op eigengereide wijze kunnen meten met het niveau van de genoemde bands. Dit is toch wel één van de sensaties van dit jaar!

 

Willard Grant Conspiracy – Untethered (cd, Loose / Bertus)
In 1995 richten zanger/gitarist Robert Neil Fisher en gitarist Paul Austin het collectief Willard Grant Conspiracy op met de bedoeling dat steeds anderen weer een bijdrage leveren aan de muziek. In al die jaren hebben dan ook meer dan 30 muzikanten hun bijdrage geleverd, zowel live als op hun albums. Ze komen met hun muziek altijd ergens tussen Americana, altcountry, folk noire en bluesrock uit, waarbij Fisher’s donkere stem, die wel eens vergeleken wordt met die van John Cale en Johnny Cash, een fijne oorvanger is. In februari 2017 overlijdt Fisher helaas aan de gevolgen van kanker. Het doek lijkt dan ook te zijn gevallen voor de groep. Voor zijn dood ligt er echter al een album klaar, dat nu pas is afgestoft en zorgvuldig tot leven is gebracht door zijn makker, min of meer vaste bandlid en violist David Michael Curry (Thalia Zedek Band, Boxhead Ensemble, Empty House Cooperative). Het laatste album Untethered, in elk geval met Fisher, is een heugelijk feit met een donker randje. Deze opent op Nick Cave-achtige wijze, maar koerst erna naar de stemmige, ongepolijste donkere geluid waar de groep bekend mee is geworden. Afgaande op sommige teksten zijn ze geschreven terwijl hij ziek is. Het maakt hoe dan ook allemaal een zeer diepe indruk, wat nog eens extra binnenkomt door de getormenteerde zang van Fisher en het droefgeestige vioolspel van Curry. Het is een prachtig slotoffensief en Willard Grant Conspiracy laat een nalatenschap achter om U tegen te zeggen.