Het schaduwkabinet: week 44 – 2018

Je hoort dan wel over die fileproblemen, maar wij delen juist graag onze files in onze lijstjes uit het:

SCHADUWKABINET

We luisterden naar: David Allred, Arca, Hibernis, Julia Holter, Lion In Bed, Microplaza, Molly Nilsson, Orchestra Of Spheres, The Residents, Saloli, Soap&Skin, Speaker Bite Me, Thought Gang, Tropical Fuck Storm, Value Void, VNV Nation en Thom Yorke.

 


 

Jan Willem

David Allred – The Transition (cd, Erased Tapes / Konkurrent)
De Amerikaanse zanger en multi-instrumentalist David Allred is al net zo’n duizendpoot als Peter Broderick, waar hij al veelvuldig mee heeft samengewerkt. Zo werkt Broderick al mee op zijn debuut Midstory (2015) en komen ze vorig jaar als Allred & Broderick met het fraaie Find The Ways. Allred heeft verder ook al hand- en spandiensten verleend voor dan wel samengewerkt met Heather Woods Broderick, Chantal Acda, Brigid Mae Power, Masayoshi Fujita, Birger Olsen, The Beacon Sound Choir en Greg Eldridge (als Good Enough For Granpa). Nu is Allred terug met zijn tweede soloalbum The Transition, waarop hij 10 songs ten gehore brengt met zang, contrabas, piano, trompet, keyboards, viool, gitaar en balalaika. In zes tracks krijgt hij wederom hulp van Peter Broderick op strijkinstrumenten, synthesizers en percussie. Allred laat in feite traditionele singer-songwritermuziek horen, alleen kleurt dat origineel en op avant-gardistische of neoklassieke wijze in. Met zijn zachte herfstachtige zang brengt hij veelal verhalen die uit zijn eigen leven gegrepen zijn. Dat zorgt er samen met de muziek voor dat het niet alleen persoonlijk maar ook wonderschoon klinkt; dikwijls zelfs magisch en overrompelend mooi. Je kunt hem ergens positioneren tussen Arthur Russell en Peter Broderick. Een majestueus en meeslepend prachtalbum.

 

Arca – Forces (cd, Ici D’Ailleurs)
De Franse muziekscene is een zeer veelzijdige, wat mede mogelijk wordt gemaakt door labels als Ici D’Ailleurs en artiesten als Sylvain Chauveau. Hij alleen al is verantwoordelijk voor uiteenlopende muziek dat in 1994 start met zijn noisetrock band Watermelon Club en daarna op experimentele en neoklassieke wijze solo. Dat wisselt hij dan af met dubby ambient in Micro:Mega, minimale experimenten in On (met Steven Hess), het (tot nu toe) eenmalige Coil tribute superproject This Immortal Coil en verstilde muziek met Ensemble 0 (ook wel 0 en Zero Ensemble geheten). Tevens werkt hij met Félicia Atkinson, Stephan Mathieu en Rainier Lericolais, geeft hij op fraaie wijze acte de presènce in onder meer That Summer, Below The Sea, Millimetrik en Louisville en runt hij met anderen het label I Will Play This Song One Again. Sinds 2002 is er ook het filmische postrock project Arca (niet te verwarren met die van Alejandro Ghersi), dat hij er met Joan Cambon op nahoudt, die zelf ook al twee fraaie soloalbums heeft gemaakt. Ze komen na acht jaar in de zogeheten “Mind Travels”-serie van Ici D’Ailleurs, waar de meer tot de verbeelding sprekende muziek verschijnt, eindelijk met hun vijfde album Forces op de proppen. In deze serie zijn inmiddels al fraaie werken verschenen van Geins’t Naït + Laurent Petitgand (2x), Mathias Delplanque, Aidan Baker, Stefan Wesolowski (2x), Manyfingers, Orchard en URUK plus een fotoboek met compilatie cd. Die van Arca is de nummer 9 in de serie, maar die verschijnt niet helemaal chronologisch aangezien nummer 11 al eerder is uitgebracht. Het album draagt de subtitel “Thirteen Pictures Inspired By People Involved In Conflict Zones All Around The Mediterranean Sea” en laat daarmee duidelijk zien waar de inspiratie vandaan komt. De muziek die ze hier presenteren vormt ook een beetje een stijlbreuk met hun vorige albums. Weliswaar is de filmische ambiance nog altijd aanwezig en schuren ze nog wel tegen de postrock aan, maar is het op enkele samples na volledig instrumentaal en veel meer elektronisch georiënteerd. Neemt niet weg dat ze weer een meeslepend en diepgravend meesterwerk afleveren, dat diepe indruk weet te maken.

 

Hibernis – Middle Of The Meds (cd, Serein)
Hibernis lijkt wellicht een volslagen nieuwe groep en dat klopt deels ook wel, maar deze herbergt wel de muzikant John Hughes (Hefty Records, Bill Ding, Slicker, Some Water And Sun) en zangeres Lindsay Anderson. Deze laatst genoemde is bekend van de groep L’Altra en gastbijdrages bij onder meer Telefon Tel Aviv, Pulseprogramming en Wreckmeister Harmonies. Het leuke is dat deze twee spoedig ook hun debuut als Same Waves uitbrengen op het innemende Flau label. Maar nu eerst hun debuut als Hibernis met de cd Middle Of The meds. Hierop brengt Hughes experimentele soundscapes aangedikt met heerlijke synthwave, droompop en ambient, die door Anderson voorzien worden door etherische, soms haast spookachtige maar immer wonderschone zang. Hoewel het project is begonnen als een meditatief proces voor Hughes om de winter te trotseren, is het uitgegroeid tot een symbiose tussen hen beide, waarbij ze met hun schetsmatige aanpak een fraai geheel hebben neergezet, dat heel veel aan de verbeelding overlaat. Het klinkt als iets dat zowel op 4AD als Warp uitgebracht kan worden, maar natuurlijk ook op het fraaie Serein label. Liefhebbers van Grouper, Birds Of Pasasage, Susanna, The Boats en Nick Cave & Warren Ellis moeten deze eigenzinnige, bezinnende beauty echt eens tot zich nemen.

 

Julia Holter – Aviary (2cd, Domino)
De klassieke geschoolde multi-instrumentaliste, singer-songwriter en zangeres Julia Shammas Holter, kortweg Julia Holter, begint haar muzikale carrière schoorvoetend vanaf 2007 met wat cd-r’s en een tape. Maar het neemt allemaal een vlucht als ze in 2011 met haar officiële debuut Tragedy komt. Haar surrealistische, soms spookachtige sound blijkt wel aan te slaan bij het grote publiek. Op Ekstasis (2012) gooit ze daarmee nog hogere ogen, want ze weet een onaardse mix van elektronica, ambient, experimenten, krautrock en wave te fabriceren. Ook de twee albums erna plus een soundtrack en één vol oude in een live-setting opgenomen nummers mogen er meer dan wezen. Nu komt ze eindelijk met de heuse opvolger van Have You In My Wilderness (2015). Dit album met de titel Aviary bestaat uit twee schijven. Holter (zang, keyboards, piano, Moog, drumsamples/machine, harmonium, micokorg, vocoder, cello, orgel, veldopnames) brengt op de eerste 7 composities die net zo bevreemdend als fascinerend zijn. De muziek manoeuvreert zich door kluwen van neoklassiek, avant-garde, ambient en allerhande experimenten. Daarbij laat ze meermaals ook behoorlijk kakofonische klanken horen. Dat doet ze samen met diverse gasten op violen, drums, altviool, contrabas, doedelzak, trompet, synthesizer, buisklokken, pauk en zang. Niets is hier gewoon en doet je echt in een droomwereld belanden, waar Giacinto Scelsi, David Lynch en popmuziek een doodnormale combinatie vormen. Op de tweede schijf gaat ze daar in feite mee verder, al sleept ze de muziek hier net binnen iets meer herkenbare kaders. Hier zou je nog Jenny Hval, My Brightest Diamond, Zola Jesus, Julianna, Clogs, Laurie Anderson en Mica Levi te referentie kunnen aanvoeren, ook al past het nooit helemaal. Holter blijkt keer op een keer een prachtig en volslagen vrije vogel met haar unieke muziek.

 

Lion In Bed – Lion In Bed (cd, We Are Unique! Records)
Nee lieve mensen, ik begin hier geen pleidooi over mijzelf, maar over een nieuw Frans project Lion In Bed, dat gevormd wordt door ene Schérazed en Mickaël Mottet (Angil, Jerri). Ze brengen hun gelijknamige debuut uit op het Franse, innovatieve label We Are Unique! Records, dat volkomen terecht een uitroepteken gebruikt want hun aanbod is veelzijdig en uniek. Ze serveren samen in krap een half uur 10 songs waarin ze een schitterend amalgaam aan stijlen laten horen, van freakfolk en pop tot stekelige indierock en noise. Hoewel ze daarbij uiteenlopende associaties oproepen, denk aan Blonde Redhead, The Breeders, The Kills, King Missile, Nancy Sinatra, Broadcast en natuurlijk Angil, weten ze daar toch een geheel eigen draai aan te geven. Dat komt onder meer door de licht mysterieuze zang van Schérazed aangevuld en afgewisseld met die pakkend stekelige van Mottet. Maar ook de originele inkleuring mag er wezen, want naast hun eigen zang-, gitaar- en drumpartijen zijn het ook gast op viool, klarinet en fluit die daaraan bijdragen. Ze leveren hiermee een geweldig en veelbelovend kleinood af!

 

Microplaza – Microplaza (7”/digitaal, Tiny Room)
Multi-instrumentalist Arno Breuer (Lost Bear, Sven Agaath, Combo Qasam) heeft nog wat solowerk op de plank liggen, maar zoekt eigenlijk iemand om daarbij te zingen, hetgeen hij zelf liever niet doet. Via social media komt hij erachter dat zanger/gitarist Benjamin van Vliet (Microwolf, Moi Le Voisin) precies het omgekeerde zoekt, dus zingen op een afgerond album. Breuer levert hem 5 korte, instrumentale tracks en van Vliet mag daar zijn ding mee doen. Ze komen daarmee nu als Microplaza naar buiten, wat een combinatie is van Microwolf en Breuer’s oude projectnaam Pino Plaza. Op hun gelijknamige 7” staan 5 korte songs, die na een kleine 8 minuten alweer voorbij zijn. Maar daar tegenover staan wel vijf ontzettend leuke tracks, die rijk gedetailleerd zijn met allerlei grappig springerige geluiden en andere innovatieve vondsten. Zo wordt in mijn voorlopige favoriete song “White Flag” op net zo geestige als geniale wijze een door een kind geroepen “pats boem” als instrument gebruikt en verwerkt tot een ritme. En zo zijn er veel genietbare en uiterst originele stukken te vinden op dit zeer veelbelovende minidebuut. Het is een bijzondere potpourri aan stijlen, die ergens tussen folk, hip hop en indierock finishen en klinken als een caleidoscopische mix van Psapp, The Notwist, WHY?, Tunng en I Am Oak. Hopelijk zit er nog veel meer in het vat, want dit smaakt naar meer!

 

Molly Nilsson – Twenty-Twenty (cd, Nightschool/ Dark Skies Association / Konkurrent)
De Zweedse zangeres, producer en Dark Skies Asociation labeleigenares Molly Nilsson, die tegenwoordig vanuit Berlijn opereert, laat vanaf 2008 met enige regelmaat haar releases los. Ze maakt doorgaans eigenzinnige synthpop waar je haar licht galmende zang bij hoort. Voor haar achtste album Twenty-Twenty haalt ze de inspiratie wanneer ze is gestrand op de luchthaven van Tokio, omdat haar vlucht is geannuleerd. De typische atmosfeer plus de vooraankondiging van de Olympische Spelen over twee jaar in die stad zorgen voor genoeg materiaal en een albumtitel. Ze presenteert 10 nieuwe songs vol met licht melancholische synthpop in combinatie met spookachtige pop en soms disco- en waveachtige elementen. Dat doet ze op smaakvolle, melodieuze, afwisselende en toch veelal sobere wijze, waarbij haar zang een opvallende factor is. Daardoor doet ze me dikwijls aan de Cocteau Twins denken, terwijl je de muziek wellicht eerder associeert met een mix van Julia Holter, Taken By Trees, Austra, Lust For Youth en een likje Prince. Gewoonweg haar beste tot nu toe.

 

Orchestra Of Spheres – Mirror (cd, Fire / Konkurrent)
Er hangt altijd wel een beetje een zweverig sfeertje rond het Nieuw-Zeelandse Orchestra Of Spheres, zij het dat ze ook dikwijls weird, hard, funky en vol acid uit de hoek kunnen komen. Op hun vierde cd Mirror nemen ze je mee naar de toekomst waar ze energieën en sferen verkennen met futuristische funk, psychedelische muziek, bewerende rock, wereldse elementen en buitenaardse zaken. Naast de gebruikelijke zang en instrumenten werpen ze ook een uitgebreid orkestraal palet in de strijd, inclusief fagot, harp, altviool, basklarinet, sopraansax, fluit en gestreken ekatars. Dat alles zorgt ruim een uur lang en 10 nummers breed voor een afwisselende en bezwerende trip, die eigenlijk met niets te vergelijken valt. Of je moet je iets kunnen voorstellen bij een hybride van Bardo Pond, Sun Ra, Konono No. 1, Six Organs Of Admittance, Boredoms, Grumbling Fur en Kamasi Washington? In “Koudede” brengen ze nog een stemmig eerbetoon aan de gelijknamige, tragisch gestorven Tuareg-gitarist en -zanger van Group Inerane. Het is een waanzinnig biologerend album geworden, waar je keer op keer weer nieuwe dingen ontdekt.

 

The Residents – Intruders (cd, Cherry Red/ MVD Audio)
De kop is er spreekwoordelijk vanaf en de individuen achter de The Residents zijn bekend en helaas is er inmiddels een kernlid overleden. En toch heeft dat geen invloed gehad op hun mysterieuze, conceptuele en bevreemdende sound. De muziek zal je als fan van het eerste uur ook de oogbollen niet uit hun kassen doen rollen, maar het blijft natuurlijk volslagen ongrijpbaar en uniek. De laatste paar jaar lijken ze zich weer helemaal te herpakken en met hun muziek weer naar hun gloriejaren terug te keren. Dat geldt in elk geval voor hun nieuwe cd Intruders. Ze mogen hierbij rekenen op Eric Drew Feldman (Pere Ubu, Captain Beefheart, Snakefinger), Nolan Cook, Carla Fabrizio, Sivan Lioncub, Peter Whitehead (Mobius Operandi) en Laurie Hall (Ovarian Trolley, Knife & Fork). Het geluid is duisterder en meer industrieel. Ze tonen zich meer dan ooit die ludieke tegendraadse avant-garde band van weleer en dat na bijna 50 jaar! Liefhebbers van Zappa, Yello, Pere Ubu, Tuxedomoon en Primus worden weer op hun wenken bediend met volslagen originele pracht en kracht. Dat is gewoonweg ouderwets genieten van hetgeen we toch nog altijd als nieuwlichterij mogen bestempelen. En dat alles is ook nog eens gestoken in een prachtig boekwerk. Ja, wat wil je nog meer?

 

Saloli – The Deep End (cd, Kranky / Konkurrent)
De Amerikaanse Mary Sutton start haar project Saloli toen ze een optreden mocht geven bij een sauna avond. Lekker relaxt, met kalmerende synthesizertonen die qua minimalisme wel iets van Erik Satie weghebben. Maar het zijn echt enkel warme synthesizerklanken die ze brengt, hetgeen nu te horen is op haar debuut The Deep End. Ze brengt 9 intieme, warme tracks van samen een kleine 43 minuten lang. Ik heb geen idee wat deze muziek op het innovatieve Kranky label te zoeken heeft, omdat het behoorlijk neigt naar new age. Aan de andere kant weet deze muziek je net zo te isoleren als veel labelgenoten dat soms kunnen doen. Ik zou ook niet zo snel een vergelijkende act kunnen opnoemen, dus ook in dat opzicht weet Saloli te verrassen. Ze levert daarmee een licht hypnotiserend maar tegelijkertijd intrigerend en diep album af. Helemaal plaatsen kan ik het nog steeds niet, maar er zit een mysterieuze meeslependheid in verborgen.

 

Soap&Skin – From Gas To Solid / You Are My Friend (cd, Solfo/ PIAS)
De faseovergang van gas naar vast heet ook wel rijpen. Nu denk ik niet dat de inmiddels 27-jarige Oostenrijkse muzikante Anja Franziska Plaschg met haar muzikale vehikel Soap&Skin de afgelopen 6 jaar nodig heeft gehad om te rijpen, ook al is ze inmiddels moeder geworden. Ze laat na haar werkelijk overrompelende albums Lovetune For Vacuum (2009) en Narrow (2012), plus een handvol singles, wel even een gat vallen eer haar zojuist verschenen derde album From Gas To Solid / You Are My Friend eindelijk het licht ziet. Hierop heeft ze niets ingeboet op haar bevreemdende geluid van weleer met haar licht beangstigende androgyne zang, maar de composities zijn wel rijker en worden voorzien van gasten op zang, samples, gitaar, drums, percussie en vooral strijk- en blaasinstrumenten. Misschien is haar sound dan toch iets gerijpt, waarbij het avontuurlijke en experimentele er bepaald niet uit is. Wel is het minder venijnig en denk ik dat ze hiermee een breder publiek kan aanboren, die uit liefhebbers van Nico, Zola Jesus, Xiu Xiu, Aphex Twin, Austra, Chelsea Wolfe en The Knife zou kunnen bestaan. Ze besluit dit geweldige album met een bloedmooie cover van het nummer “What A Wonderful World”. Daarmee is Soap&Skin weer helemaal terug en op topniveau bovendien.

 

Speaker Bite Me – Future Plans (cd, PonyRec)
Het is wel een muziekjaar vol comebacks geworden en toont aan dat het blijven checken van je favoriete bands de moeite waard is. Neem nu het Deense Speaker Bite Me, het geweldige project rond zangeres/gitariste Signe Høirup Wille-Jørgensen. Ze start in de geweldige noiseband Murmur en vormt later met Luke Sutherland (Long Fin Killie, Music AM, Mogwai) ook Bows. In 2007 heeft Speaker Bite Me, die in 1997 debuteren op Robin Proper-Sheppard’s label The Flower Shop, hun vierde en laatste album uitgebracht. Ze brengen doorgaans een lekkere en vooral originele combi van noise, indierock en experimentele muziek, die altijd goed toegankelijk en meeslepend is. Je kunt ze met gemak ergens tussen Blonde Redhead en de Pixies positioneren. Nu is hun zesde album met de veelbelovende titel Future Plans eindelijk een heugelijk feit. De groep bestaat verder uit drummer Emil Landgreen (Murmur, Lob Of Lemmings), gitarist/toetsenist Martin Ilya Ryum (Murmur) en bassist/gitarist Kasper Duerell (Murmur). Ze laten nu in slechts 5 tracks, maar wel 38 minuten lang, misschien wel hun beste werk tot nu toe horen. Het schuift weer iets meer richting de noise op en ze nemen per track echt de tijd om de muziek op te bouwen en uit te rollen. Dat levert een schemerig en zeer spannend geheel op vol meeslepende, stevige muziek. De groep toont andermaal aan zo’n ontzettend lekker en origineel geluid in huis te hebben. Hopelijk heeft de titel ook een voorspellende waarde, want sublieme muziek als deze wordt veel te weinig gemaakt.

 

Thought Gang – Thought Gang (cd, Sacred Bones / Konkurrent)
Ik vind David Lynch één van de meest geniale filmmakers die ik ken. Niet alleen om de verhaallijnen, de unieke manier van filmen en die typische, bevreemdende Lynch-sfeer maar ook door de muziek. Je zal Lynch er niet op betrappen dat hij bij één van zijn films ooit zo maar een muziekje heeft gedaan. Nee dat gebeurt naast hemzelf vaak door klasbak Angelo Badalamenti, die onder meer zijn “Twin Peaks”-serie en een aantal films van muziek voorziet, waarbij Lynch zelf ook daar de regie strak in handen houdt. Lynch duikt ook als muzikant wel eens op, solo en naast artiesten als Jocelyn Montgomery, Alan Splet en Badalamenti of in de groepen Bluebob en Thought Gang. Die laatst genoemde houdt Lynch er al sinds begin jaren 90 met Badalamenti op na, alleen komt daar nooit echt wat van naar buiten. Vorig jaar op een nieuwe Twin Peaks compilatie duikt er wel een nummer (“Headless Chicken”) van hen op. Nu is het gelijknamige debuut een feit, waarbij de meeste nummers al stammen uit de jaren 90. Badalamenti (zang, synthesizer, piano) en Lynch (teksten, productie, gitaar, percussie) worden hier begeleid door Reggie Hamilton (bas, gitaar), Gerry Brown (drums, percussie), Tom Rainer (keyboards, klarinet, saxofoon), Vinnie Bell (gitaar), Grady Tate (drums) en Buster Williams (bas). Ze maken er samen een soort met Twin Peaks ingeënte dark jazz en avant-garde van. En dat levert een spannend, bevreemdend en meeslepend geheel op, gelijk de films van de meester zelf en die “Eraserhead” soms zelfs doen verbleken. Grootse klasse dit!

 

Tropical Fuck Storm – A Laughing Death In Meatspace (cd, Joyful Noise / Konkurrent)
Bassiste/zangeres Fiona Kitschin en Gitarist/zanger Gareth Liddiard van het Australische kwartet Tropical Fuck Storm, vaak afgekort als TFS, zitten eerst in The Drones, die hun laatste album in 2016 op het label Tropical Fuck Storm hebben uitgebracht en opgenomen in een studio met dezelfde naam. Een naam die ze als band meenemen naar hun debuut A Laughing Death In Meatspace. De groep wordt hier gecompleteerd door gitariste/toestenist/zangeres Erica Dunn en drumster Lauren Hammel. In 9 prikkelende en meeslepende tracks laten ze een rauwe mix van psychedelische, prog-, art-, alternatieve en experimentele rock horen met post-punk invloeden. Daarbij moet je denken aan een gedroomde stamppot van Ought, Nick Cave, Protomartyr, Dinosaur Jr., Iceage, The Cult en Beach House. Dat alles zorgt ervoor dat dit een knallende, smerig goede eersteling is geworden, die nog lang zal nadreunen en de foeilelijke cover meteen doet vergeten.

 

Value Void – Sentimental (cd, Tough Love / Konkurrent)
Value Void is een Londens trio, waarbij drumster Marta Zabala en zangeres/gitariste Paz Maddio oorspronkelijk uit Argentinië komen. In Engeland sluit bassist Luke Tristam (Cop, Score And Owner) zich bij hen aan en het trio is compleet. Ze brengen nu hun debuut Sentimental uit, waarbij de titel de lading behoorlijk dekt. De 9 songs die ze hier in ruim een half uur de revue laten passeren lijken aardig in het verleden te roeren. Marta heeft al een verleden in de post-punkband Los Cripis, wat je hier ook ten dele wel in terughoort. Maar ze brengen ook shoegaze, indierock, droompop en een vleugje avant-garde. Daarmee smeden ze verrukkelijke muziek, die zowel zou passen op het 4AD van de jaren 90 als hedendaagse muziek. Denk daarbij aan het fijne midden tussen The Breeders, Lush, Throwing Muses, Pinback, Magnapop, Hail en Warpaint. En dat maakt dit toch wel tot een subliem droomdebuut.

 

VNV Nation – Noire (cd, Anachron Sounds)
Het in 1990 te Londen opgerichte VNV Nation ontwikkelt zich door de jaren heen van een industrial EBM groep meer en meer tot een heuse synthpopband. De rode draad wordt daarbij gevormd door de intense getormenteerde prachtzang van Ronan Harris (zang, teksten, productie), die tot een aantal jaren geleden ook mocht rekenen op Mark Jackson. Maar vanaf de wat mij betreft enige miskleun in hun discografie, Transnational (2013), is VNV (“Victory Not Vengeance”) Nation volledig het soloproject van Harris. Na deze uitglijder volgt nog het fijne Resonance (2015), waarop oude songs samen met het Film Orchester Babelsberg worden uitgevoerd. Nu is Harris eindelijk terug met Noire, waarop hij in 73 minuten 13 nieuwe tracks het licht laat zien. Nu ja, de albumtitel geeft al aan dat dit wel iets anders uitpakt. Hij grijpt in elk geval weer iets meer terug naar de EBM en vult dit aan met de wonderschone synthpop die hij eerder ook op hun hoogtijdagen heeft laten horen. Het is een terugkeer naar de vorm en dan meteen ook wel heel sterk uitgevoerd, waarbij de zang weer zorgt voor de intraveneuze melancholische injecties. Hij wisselt dit alles nu ook af met neoklassieke intermezzo’s. Hoewel het soms wat frivoler is dan voorheen is het meestal weer ouderwets genieten.

 

Thom Yorke – Suspiria (2cd, XL Recordings)
Jonny Greenwood van Radiohead kan je inmiddels best een begenadigd componist noemen en dan met name van diverse soundtracks. Thom Yorke, uiteraard uit dezelfde band en Atoms For Peace, heeft inmiddels ook al twee keer bewezen solo prima uit de voeten te kunnen. Maar een soundtrack maken voor een remake van een horror klassieker, die eerder door het legendarische Goblin is gemaakt, lijkt op voorhand niet meteen een goed idee. Toch weet Yorke met zijn soundtrack Suspiria, voor de film van Luca Guadagnino, veel valkuilen te vermijden en gewoonweg een sterk geheel in elkaar te smeden. Op uiterst melancholische wijze welteverstaan en zeker ook met genoeg bevreemdende en spannende elementen, maar niet direct horrorachtig. Ik bedoel je kunt wel zingen dat je een “creep” bent, maar dan maak je nog niet meteen creepy muziek. Hij weet zelf wel raad met zang en elektronica en schakelt ook smaakvolle orkestraties in, die zijn muziek begeleiden en misschien wel van de meeste spanning voorzien. Zoon Noah Yorke is daarbij zo af en toe op drums te horen. Yorke brengt in 80 minuten 25 composities, die veelal behoorlijk experimenteel maar ook gewoonweg ontzettend goed zijn en best op één van de laatste Radiohead albums hadden mogen of kunnen staan. Mocht die film helemaal niks zijn, dan komt dat in elk geval niet door de muziek.