Het schaduwkabinet: week 42 – 2018

Voor het eerst in 25 jaar komt New York een weekend door zonder moorden. Veel minder bizar nieuws in onze lijstjes uit het:

SCHADUWKABINET

We luisterden naar: William Basinski & Lawrence English, Day Before Us, Emilía, Ensemble 0, Epic45, Exit North, Fufanu, John Grant, Jóhann Jóhannsson, Knars, The Last Hurrah!!, LTO, Maarja Nuut & Ruum, Graham Van Pelt en Radůza.

 


 

Jan Willem

William Basinski & Lawrence English – Selva Oscura (cd, Temporary Residence Ltd. / Konkurrent)
De Amerikaanse muzikant/componist William Basinski timmert al een jaar op 30 aan de weg en bevindt zich in de schemerzone tussen minimal music, ambient, neoklassiek en drones. Daar baant hij zich immer een toonaangevende weg door en brengt sinds 1998 veel uit op diverse releases, dikwijls uitgegeven op zijn eigen 2062 label. Overigens is hij van origine een klassiek geschoolde klarinettist en tevens opgeleid als jazzsaxofonist en componist. Hij heeft onder andere gewerkt met Diamanda Galás, Rasputina, Antony, Richard Chartier, Lee Ranaldo, The Murmurs en zijn eigen Life On Mars. Hij vergaard solo de meeste bekendheid met zijn Disintegration Loops serie, die gebundeld ook in een fraai boxset verschijnt. Hij werkt op Selva Oscura samen met de Australische muzikant Lawrence English, die onder zijn eigen naam maar ook in diverse groepen en samenwerkingsverbanden, een imponerende discografie heeft opgebouwd. Ook English houdt er een label op na, te weten het innovatieve kwaliteitslabel Room40. De output van English bestaat meestal uit abstracte muziek, waarbij ambient, drones, elektronische experimenten, veldopnames en avant-garde de dienst uitmaken. Op hun gezamenlijke album, dat vertaald “donker woud” betekent, laten ze twee langgerekte composities het licht zien. Hoewel licht, het is een behoorlijk duistere stroom aan geluid die inderdaad wel bij een wandeling door een donker en tevens mysterieus bos zou passen. Je kunt het album prima als achtergrondmuziek gebruiken, maar dan mis je wel een hoop. Ze brengen namelijk uiterst subtiele details aan in de langzaam voortschrijdende en van karakter veranderende muziek, waardoor ze de luisteraar stevig in hun greep houden. Het is spannend, fascinerend en ook bij de keel grijpend mooi. En dat je dan door de bomen het bos niet meer ziet is in dit geval niet erg. Hier druipt de klasse vanaf.

 

Day Before Us – Adorned Path Of Stillness (cd, Twilight/ Gradual Hate)
Sinds 2011 bestiert de Franse pianist/componist/arrangeur Philippe Blache zijn project Day Before Us, waarmee hij een uiterst emotioneel geladen geluid fabriceert dat ergens tussen neoklassiek en dark in zit. Vanaf 2015 mag hij rekenen op de poëtische zangeres Natalya Romashina, die zijn muziek van hemelse vocalen en voorgedragen teksten voorziet. Met Adorned Path Of Stillness is de zesde cd, de derde met Romashina, een heuglijk feit. Blache heeft 9 nieuwe composities gecreëerd die na ruim 50 minuten finishen. Het zijn geconcentreerde soundscapes die zowel onheilspellend en duister als mysterieus, etherisch, sacraal en rustgevend zijn. Hij baant zich weer een weg door de genoemde genres maar koppelt daar ook drones, industriële elementen en experimenten aan. Dat alles wordt vervolgens nog voorzien van die verlammend mooie zang van Romashina. Denk aan een duistere hybride van Raison D’Etre, Love Is Colder Than Death, Omala, SPK en Marsen Jules. Een album vol hemels nachtelijke pracht.

 

Emilía – Spring Through A Window (mcd, Rottenman Editions)
Lee Yi is de nom de plume van een Spaanse experimentele artiest, die met zijn fraaie releases nu al een paar keer in ons Schaduwkabinet is opgedoken. Dezelfde Lee Yi houdt er met ene Meneh Peh, dat zo maar ook een alias zou kunnen zijn, het project Emilía op na. Vorig jaar verschijnt daarvan in elk geval de prachtige mini Down To The Sadness River, die alleen om de titel al uiterst interessant is. Maar ook de muziek mag er meer dan wezen, want dat is een uiterst verfijnde mix van drones, gitaarambient, softnoise, bijna shoegaze en neoklassiek. Ze presenteren nu hun tweede mini Spring Through A Window, waarbij ik vast als enige meteen aan Louis van Gaal moet denken. De muziek vlakt die gedachte overigens meteen weer uit. In ruim 20 minuten tijd brengen ze 7 korte en 1 langgerekt stuk waar ze emotioneel geladen cellopartijen laten horen, aangedikt met piano en elektronica. Daarmee komen ze ergens uit tussen neoklassiek, minimal music, ambient, elektro-akoestische en experimentele muziek en artiesten als Richard Skelton, øjeRum, Olan Mill, Sarah Davachi en Giulio Aldinucci. Wederom een prachtig juweel!

 

Ensemble 0 – Plays Eight Compositions And It Lasts 38:36 (cd, FLAU)
Eén van mijn grootste muzikale helden van deze eeuw is toch wel de Franse, in België woonachtige artiest Sylvain Chauveau. Naast muziek onder zijn eigen naam, laat hij ook middels Arca, On, Watermelon Club, Micro:Mega, This Immortal Coil en Ensemble 0 diverse prachtalbums het licht zien. Dat laatstgenoemde gezelschap is een bijzondere, omdat de leden nogal eens rouleren en de muziek conceptueel is. Ze zijn als een huis dat diverse bewoners kent die allen hun kamers op verschillende wijze schilderen, maar altijd binnen hetzelfde fundament. Chauveau lijkt de enige vaste bewoner, al hanteert hij ook diverse kwasten. Voor hun nieuwe album Plays Eight Compositions And It Lasts 38:36 strippen ze het hele huis en nemen ze je net als de albumtitel letterlijk aan de hand mee in hetgeen ze doen en ook hoe lang het duurt. De 8 titels hebben geen gewone naam gekregen, maar bestaat uit de namen en instrumenten die de huidige bewoners op dat moment hanteren. Naast Chauveau (hapi drum, klokkenspel, gitaar, melodica) zijn dat Florent Garnier (klokkenspel, chimes, metallofoon, harmonium, percussie), Jean-François Brohée (ebows, gitaar, chimes) van Tangtype en Algiz plus hun gasten Antoine Pasqualini (synthesizer) van Arch Woodman en Monolithe Noir, Maxime Wathieu (veldopnames) uit The Mash en Thomas Jean Henri (vibrafoon, gitaar) van onder andere Cabane, Rawfrücht, Soy Un Caballo en ex-producer van Stromae. Behoorlijk full house zou je kunnen stellen, zij het dat ze alles niet in dikke lagen aanbrengen maar met uiterst subtiele schetsmatige streken. Die brengen overigens op subtiele wijze net zoveel als een overdadig geheel en misschien wel meer omdat er veel aan de verbeelding wordt overgelaten. Het is als een casco woning, waar ook de niet dragende muren zijn weggeslagen, maar waarbij het nog altijd zichtbaar een huis is en de fantasie de rest invult. De diverse instrumenten vormen de prachtig skeletachtige bouwstenen, waar een samenhangend geheel van minimal neoklassiek met ambient, drones en avant-garde van wordt gemaakt. Daar waar losse eindjes zijn vormt de verbeeldingskracht van de luisteraar voor de overige verbindende specie. Het levert uiterst fragiele, rijke gedetailleerde en intieme stukken op die overeind staan als een huis. Jan Willem is nu klaar met schrijven en danig onder de indruk.

 

Epic45 – Through Broken Summer (cd, Wayside & Woodland)
James Yates (The Pattern Theory, The Declining Winter)
De schoolvrienden Ben Holton en Rob Glover vormen al sinds 1998 de harde kern van de groep Epic45, die een wisselend aantal leden telt. Ze hebben inmiddels 7 albums uitgebracht, waarop ze meestal een subtiele mengelmoes brengen van post-rock, ambient, wave, folk, shoegaze- en singer-songwritermuziek. Dat levert doorgaans prachtig pastorale muziek op die druipt van de melancholie en nostalgie. Hun laatste wapenfeit is een remixalbum uit 2012. Nu keert Epic45 terug met Through Broken Summer, waarbij Holton (gitaar, zang, synthesizers, sampler, drummachine, computer, percussie) en Glover (gitaar, bas, synthesizers, piano, sampler, zang, computer) vergezeld worden door James Yates (drums, percussie, vibrafoon, reverb), die al eerder van zich heeft laten horen in The Pattern Theory en The Declining Winter. Eenmaal schuift ook Antony Harding (zang) van July Skies en Avrocar aan. Ze presenteren 14 nieuwe songs die bijna bij elkaar 54 minuten duren en die het lange wachten meer dan waard maken. De heren schuiven wat meer naar de droompop en shoegaze op en brengen tevens meer subtiele experimenten, maar laten vooral een geluid horen dat alleen Epic45. Dat wil zeggen een onaards dromerige geheel, dat zich op een eigen deel van het universum lijkt af te spelen. Daarbij moet je een gevarieerde, in 4AD-sferen gehulde hybride van Slowdive, Hood, Piano Magic, Lush, Pale Saints, July Skies en Flying Saucer Attack in gedachten nemen. Met hun fijn en uniek aaneen genaaide klanktapijten weten ze je genadeloos te vloeren.

 

Exit North – Book Of Romance And Dust (cd, Exit North)
De Zweedse zanger Thomas Feiner debuteert in 1993 met zijn groep Anywhen. Toch volgt de doorbraak (en een groter/breder publiek) pas met het overdonderend mooie The Opiates in 2001. Zeven jaar later wordt deze dunnetjes overgedaan als The Opiates – Revised en dan als Thomas Feiner & Anywhen. Een paar nummers anders en een nieuwe cover, maar eigenlijk niet echt iets nieuws onder de zon. Pas in 2012 komt er via bandcamp weer de prachtig losse track “Bested Bones” uit van het duo Thomas Feiner & Ulf Jansson. Feiner (zang, trompet, piano, gitaar, harmonium) en Jansson (piano, keyboards) maken dit jaar dan eindelijk de doorstart met de groep Exit North, waarin ook Charles Storm (synthesizers, gitaar, bas, zang) en Steve Jansen (keyboards, drums, percussie, sounddesign, zang), broer van David Sylvian en lid van Japan, Nine Horses en Rain Tree Crow, zetelen. Ze brengen nu hun debuut Book Of Romance And Dust uit met daarop 9 tracks die ruim 45 minuten duren. Hierop ook het bewuste nummer uit 2012. De rest blijkt qua intensiteit en verlammende schoonheid daar niet voor onder te doen. Ze krijgen daarbij ook nog steun van vijf muzikanten op violen, altviool, cello en contrabas en vier op zang, die voor het extra kippenvel zorgen. De songs zijn ontzettend melancholisch, kruipen traag vooruit en wikkelen zich in duistere nevels. Hier en daar zwelt het even aan tot een dreigend niveau om vervolgens weer terug te gaan naar etherische en narcotiserende levels. Daarbij moet je een mysterieuze mix van The White Birch, Anywhen, Talk Talk, Madrugada en mede door de zang ook David Sylvian in ogenschouw nemen. Wat is dit een belachelijk mooi meesterwerk! Het wachten meer dan waard. Perfecte herfstplaat ook, nu het weer nog.

 

Fufanu – The Dialogue Series (cd, One Little Indian / Konkurrent)
Terwijl het voetballend allemaal wat minder gaat, floreert de muziek nog altijd als een malle in IJsland. Dat komt niet in de laatste plaats door een geweldige groep als Fufanu, die met hun albums Few Days To Go (2015) en Sports (2017) heel hoge ogen gooit met hun mix van post-punk, noise, cold wave, shoegaze en alternatieve rock. Daarbij grabbelen ze flink in het verleden om daar zelf met een frisse blik weer van allerlei fraais van te knutselen. De groep bestaat in eerste instantie uit het duo Hrafnkell Kaktus Einarsson (zoon van Sugarcubes lid Einar Örn) en Guðlaugur “Gulli” Einarsson, die ervoor als Captain Fufanu nog techno maken. Overigens zijn ze geen familie. Kaktus (zang) en Gulli (gitaar, programmering) worden inmiddels vergezeld door Erling “Bang” Páll Karlsson (drums). In juni, augustus en ook deze maand zijn de digitale epees Dialogue i t/m iii verschenen. Hierop verkennen ze naar eigen zeggen hun meerdere geluidspersoonlijkheden, die gaan van motorik, post-punk en alttechno tot wazige avant-garde elektronica. Dat brengt de groep op andere, maar zeer interessante muzikale gronden dan op hun reguliere werken. Kijk daarbij niet gek op als je daar dikke knipogen naar of flarden van onder meer Joy Division, Suicide, Simple Minds, Roxy Music en Kraftwerk ontwaart. De drie mini’s zijn nu fijn gebundeld op The Dialogue Series. Het toont andermaal aan wat voor een bijzondere groep Fufanu is.

 

John Grant – Love Is Magic (cd, Bella Union)
Van 1994-2006 is John Grant de enigmatische frontman van de groep The Czars, waarbij zijn heerlijke croonerstem een opvallende oorvanger is. Hij duikt erna even op in Herules & Love Affair, maar maakt de meeste indruk als hij met zijn solowerken komt. Daar zijn de albums The Queen Of Denmark (2010), Pale Green Ghosts (2013) en Grey Tickles, Black Pressure (2015) de overtuigende bewijzen van. De eerste is een donkere popplaat, op de tweede wordt er met enige regelmaat een behoorlijk elektronische draai aan dat alles gegeven en de derde is een mix daarvan met behoorlijk harde en experimentele uitschieters. Het mag duidelijk zijn dat Grant bepaald niet in herhaling valt. Eerder dit jaar is Grant samen met de leden van Wrangler te horen in de nieuwe groep Creep Show, die het nogal wonderlijke Mr. Dynamite vol experimentele electro, pop en funk afleveren. Nu is hij zelf terug met Love Is Magic. Dat begint meteen al behoorlijk elektronisch en dat is best even wennen. Nu werkt Grant (zang, piano, keyboards, programmering) ook nauw samen met Paul Alexander (keboards, zang, gitaar, bas, programmering) van Midlake, Benge (programmering) ofwel Ben Edwards plus nog wat gasten op bas, drums, programmering, keyboards, gitaar, klavinet, spoken word en samples. Toch voel je meteen dat deze nieuwe stap, naar eigen zeggen dichterbij hetgeen hij echt wil laten horen, dat het je meeneemt, prikkelt en nieuwsgierig maakt. Zelfs als er funk en bijna disco doorheen gemengd wordt. Nergens wordt het plat of overlaadt hij je met de elektronica. Het is allemaal zeer smaakvol gedaan en zijn boodschap komt alleen maar harder binnen. Uiteraard gaat het namelijk over de gebruikelijke ellende, persoonlijke maar ook uit de wereld, maar de liefde overwint uiteindelijk alles. Hij is hier een soort eigengereide hybride van David Bowie, Arthur Russell, Zappa, Prince en Scott Walker. Pas in de laatste 3 van de 10 nummers sluit hij weer even aan bij zijn croonermuziek. Hij levert een evenzo gedurfd als magistraal album af, die zijn uitzonderlijke klasse eens te meer onderstreept.

 

Jóhann Jóhannsson -Mandy (cd, Lakeshore/ Invada)
In februari recenseer ik de soundtrack The Mercy van de IJslandse componist Jóhann Jóhannsson, die dan een paar dagen ervoor plots overlijdt op 48-jarige leeftijd. Dat schokt de fans en de muziekwereld, waarvan de naschokken nog altijd voelbaar zijn. Hij heeft namelijk nogal wat betekent voor de neoklassieke muziek, hoewel je zijn bijdragen aan groepen als Ham, Apparat Organ Quartet, Daisy Hill Puppy Farm, Dip, Evil Madness, Lhooq en joint ventures met andere artiesten ook niet mag uitvlakken. Onder zijn eigen naam verschijnen er naast de reguliere studioalbums ook met enige regelmaat soundtracks, die er ook altijd mogen wezen. Kennelijk zat er daarvan nog één in de koker, want Jóhannsson heeft nog de cd Mandy gemaakt voor de gelijknamige horrorfilm van Panos Cosmatos. Of Jóhann daarbij zijn eigen doemscenario al in het achterhoofd heeft weet ik niet, maar het is werkelijk het meest gitzwarte wat er van hem ooit is verschenen. Het filmgenre is door de unheimische sfeer al overduidelijk, maar de coproductie van Randall Dunn en additionele muziek van Pepijn Caudron (Kreng), Yair Elazar Glotman en toetsenist Úlfur Eldjárn (Apparat Organ Quartet) verraden ook al wat. Dan heb ik het nog niet eens over de participerende muzikanten als Kjartan Hólm op programmering, gitaar, arrangementen en productie, gitarist Skúli Sverrison, gitarist Stephen O’Malley (Sunn O))), Æthenor, Khanate, Ginnungagap, Teeth Of Lions Rule The Divine, Lotus Eaters), drummer Matt Chamberlain en gitarist Will Hayes (Myrkur). Inderdaad, dit is geen neoklassiek werk geworden, maar een duister geheel vol dark ambient, industrial, doom metal en drones. En toch is het ook filmisch. Wat een bij de strot grijpend geheel.

 

Knars – From The Madhouse (cd, Ongewoon Onbegrensd)
Van knarsetanden kan je gebit behoorlijk beschadigd raken, met zelfs het verdwijnen van al je tanden. Hopelijk is het bij de Nederlandse 10 koppige formatie Knarsetand prettiger verlopen, want na het spetterende debuut My Escape (2014) is de groep rond producer, dichter, rapper en wereldverbeteraar Martijn Holtslag, voorheen actief als rapper Ongeordend, nu terug als Knars. Vier jaar geleden brengen ze een energieke mix van drum ’n’ bass, gypsy, reggae, brass, Balkan muziek, dubstep, ska, trip hop, latin en popmuziek. Op From The Madhouse heeft Holtslag nog altijd een groot, zij het gewijzigd collectief om zich heen verzameld en ook de ongeremde energie is intact gebleven. Alleen bestaan de nieuwe 13 tracks meer uit een mix van breakbeats, drum ‘n’ bass, punk, rave en garagerock, waarbij her en der nog wel de blazers opduiken. Het is allemaal steviger, maar bepaald niet minder goed of ontoegankelijker geworden. Hoewel ze een eigen smoel tonen en meer stijlen grenzeloos door elkaar strooien, zelfs cumbia komt een keer voorbij, doet het me soms aan Pop Will Eat Itself denken. Heerlijk opzwepend album om je tanden in te zetten.

 

The Last Hurrah!! – Los Angeles (cd, Rune Grammofon / Konkurrent)
De Noorse groep The Last Hurrah!! rond singersongwriter en (pedal steel) gitarist Hans Petter Gundersen is een zeer eigengereide. De muziek is nauwelijks onder één noemer te vangen en daarbij zijn ze ook niet in een bepaalde tijd thuis te brengen. Ergens tussen Americana, altcountry, jazz, folk, Gospel, blues en indierock. Daarbij mag hij altijd rekenen op een batterij aan (gast)muzikanten. Dat is niet anders op hun vierde worp Los Angeles, die ze in opdracht van het Vossajazz Festival hebben gemaakt. Naast de Amerikaanse zangeres Maesa Pullman, oudgediende Kåre Sandvik (piano, wurlitzer, klavinet, klavecimbel, kerkorgel, accordeon, trombone, trompet, gitaar) en Jason Hiller (bas, zang), aangevuld met nog een man of negen op gitaar, drums, percussie, viool, Hammond orgel, tenorsaxofoon, synthesizer en pedal steel. Hiermee kneden ze hun caleidoscopisch amalgaam aan stijlen, die soms vanuit de jaren 60 lijken te komen en dan plots weer helemaal uit het hier en nu zijn. Het wel allemaal majestueus, meeslepend en machtig mooi. Daarbij moet je aan een niet chronologische mix denken van Tarnation, Bodies Of Water, Elysian Fields, Gram Parsons, Marissa Nadler, The Flying Burrito Brothers en Al Stewart. Ja, veel duidelijker kan ik het ook niet maken.

 

LTO – Déjà Rêvé (cd, Denovali)
Net als Asher Levitas is LTO, uiteraard een pseudoniem, lid van de mysterieuze Britse formatie Old Apparatus, waar ik de compilatie Compendium (2013) van harte kan aanbevelen. Vanaf 2016 gaat deze muzikant ook solo verder, hetgeen de overtuigende albums The Number From Which All Things Come (2016) en Storybook (2017) oplevert. Hierop laat LTO een mix horen van ambient, leftfield, downtempo elektronica en abstracte muziek. Nu is er het nieuwe album Déjà Rêvé, waarop je in ruim drie kwartier 9 bijzondere tracks voorgeschoteld krijgt. Het ligt wel in het verlengde van de vorige albums en werkgever, maar het is ook grotendeels een piano gestuurd album geworden waardoor allerhande experimentele en industriële elementen gemengd worden. Eigenlijk is het net alsof je in een droom gevangen zit, die de ene keer allemaal wonderlijke en prachtige beelden toont en op andere momenten tot een milde nachtmerrie uitgroeit. Tegelijkertijd troostend en angstaanjagend. De rode draad wordt gevormd door de nostalgie en melancholie die dit alles uitademt. Een verbluffende unieke droomplaat.

 

Maarja Nuut & Ruum – Muundja (cd, 130701/ Fat Cat)
Maarja Nuut is een Estlandse muzikante, die op haar voorgaande twee albums met zang, viool en elektronische experimenten prachtige, gelaagde klanklandschappen produceert. Daarbij gaan traditie en moderniteiten hand in hand, waarbij de vergelijkingen gaan van Iva Bittová en Nils Økland tot Mari Boine Persen, Värttinä en Zap Mama . Ik noem deze associaties, omdat die er op het nieuwe album Muundja nog wel zijn maar veel meer op de achtergrond. Dat komt omdat ze hier samenwerkt met Ruum, het alias van de Estlandse elektronica producer Hendrik Kaljujärv, die analoge en digitale syntheszers plus veldopnames toevoegt. De mix van folk, klassieke muziek, avant-garde, minimal music en experimentele muziek van Maarja’s vorige albums verplaatst zich nu naar een meer elektronische en dikwijls ook ritmische omgeving. Ze zoeken op natuurlijke wijze naar verbindingen van contrasten en uitersten. Dat levert een mysterieus gesynthetiseerd geheel op van verleden, heden en toekomst en tevens akoestische en elektronische muziek. Het is van een unieke, onaardse schoonheid.

 

Graham Van Pelt – Time Travel (cd, Arbutus / Konkurrent)
Na albums te hebben uitgebracht als Miracle Fortress en met de groep Think About Life, vindt de Canadese muzikant Graham Van Pelt de tijd rijp om onder zijn eigen naam verder te gaan. Hij presenteert nu zijn debuut Time Travel, waarop in een kleine drie kwartier acht songs voorbij komen. Deze zijn van een ontwapenende eerlijkheid en openheid. Niet alleen tekstueel gezien, ook de muziek heeft die eigenschappen. Hij brengt een soort onhandige disco zoals Arthur Russell dat ook zo fijn heeft gemaakt en dan vermengd met bescheiden elektronische indie die me wel aan Sam Lee & Friends doet denken. Doe daarbij nog de droge dub van Jessy Lanza plus de sobere zwoelheid van Sade en je krijgt een beetje een idee van hetgeen hij hier neerzet. In feite zijn het vrij skeletachtige songs, zonder opsmuk en zonder een noot teveel te gebruiken. Dat levert een intens, sfeervol en melancholisch droomdebuut op.

 

Radůza – Muž S Bílým Psem (2cd, Radůza Records)
Van straatmuzikant, ondekt door Zuzana Navarová, uitgegroeid tot een populaire veel gevraagde muzikant, dat is in het kort het verhaal van de Tsjechische Radka Vranková (nu Urbanová) ofwel Radůza. Sinds 1994 brengt ze daarmee uiterst originele muziek naar buiten, die veelal gestoeld is op de Tsjechische traditie maar ook veel andere stijlen incorporeert. Dat levert tot dusver al 10 unieke albums en een soundtrack op, die dikwijls in de folkhoek uitkomen. Maar ze zit soms ook dicht tegen de klassiek aan, met name op haar kerstalbum van vorig jaar. De muziek wordt vergezeld door haar robuuste zang, waarmee ze overigens ook heel gevoelig uit de hoek kan komen en soms ook rapt. Er staat eigenlijk geen maat op dit unicum. Nu is ze alweer terug met haar elfde album Muž S Bílým Psem, hetgeen “man met een witte hond” betekent. Het is haar eerbetoon aan verhalen over zwervers en schrijvers van indianenverhalen geworden. Een bijzondere invalshoek, waarbij deze zangeres vergezeld wordt door gastmuzikanten op zang, gitaar, percussie, piano, accordeon, viool, bas, banjo en hoorn. Hieronder ook oudgedienden Josef Štěpánek en Jaromír Honzák. Enerzijds brengt ze haar kenmerkende melancholisch getinte folkmuziek weer ten gehore, maar daarnaast koerst ze ook met enige regelmaat op altcountry af. Met harde, overdonderende maar ook zachte en ontroerende verhalen. Het is een op en top Radůza album geworden, die ook gestoken is in een fraaie kartonnen box met twee dikke boekwerken. Tevens zit er een extra cd met mp3-bestanden bij, waarop ene František Segrado in het Tsjechisch verhalen voordraagt. Dat laat ik graag aan de Tsjechen over. Neemt niet weg dat Radůza weer een eigengereide beauty heeft afgeleverd.