50 x 90: 3. Primus – Frizzle Fry (1990)

Is hier mijn jarenlange verloochening van de metal (volgt nog later deze serie) begonnen? Het zou zomaar kunnen. Primus maakte veel in me los, en liet me vooral horen dat er zoveel meer was dan harde riffs, schreeuwende zangers en donderende drums – tot zover de cliché's over metal. In ieder geval, Primus sucks, en dan weten we allemaal dat dat een compliment is.

 


 

Primus-Frizzle_Fry Het is de schuld van Voivod. ‘X-Ray Mirror’ van Nothingface om precies te zijn. Eenmaal dat nummer gehoord bij Vuurwerk was mijn referentiekader voor altijd veranderd. Traditionele hardrock en metal verloren meer en meer terrein ten faveure van meer durf, meer originaliteit, kruisbestuivingen tussen genres. Alt.metal so to speak, avantmetal werd het ook wel genoemd. Door Voivod voor mij geen Saxon of Dokken of Ozzy (vul hier vooral uw eigen keuze van ouderwetse hardrock in) meer. Vond ik niet meer cool, deed me niets meer. Had niks avontuurlijks. Stond ook stil, dat soort hardrock, ging voor geen meter vooruit, en als er iets was dat Nothingface me leerde was het dat ik eigenlijk alleen maar vooruit wilde kijken. Nieuwe ontdekkingen doen, zonder vastgeroeste grenzen. Vanaf dat moment was ik voor eeuwig verloren voor traditionele metal. Maar waar dan naartoe?

 

Gelukkig was daar Primus. Primus sucks zeiden ze zelf, maar dat was natuurlijk humor want Primus was bizar en geweldig. “To defy the laws of tradition / It’s a crusade only of the brave” declameerde Les Claypool in het openingsnummer van Frizzle Fry, en ik voelde me erg moedig met Primus. Mijn eerste echte stappen buiten de hardrock/metalwereld. Het werd een van mijn lijfspreuken die jaren. Net zoals bij Voivod ging het niet vanzelf tussen Primus en mij, maar het bleef knagen na mijn eerste beluistering. Ik kocht hem toen niet – dat werd Living Colour – maar het liet me niet los, die absurde baslijnen, het geweldige drumwerk, de bizarre gitaarriffs (waren het wel riffs?), die cartoonstem van Claypool. Het had ook wel wat humor in zich, en daar kon en kan ik niets mee in mijn muziek; alleen Zappa mag dat, en dan alleen nog als ik in de stemming ben. Het was uiteindelijk de recensie van André Verhuysen die me over de streep trok. Vergelijkingen met spannende namen als Soundgarden, Red Hot Chili Peppers (ja, die vond ik toen nog spannend), Rush (was dat geen soft AOR gedoe dan?) en Frank Zappa; dat moest ik hebben, dat moest ik goed gaan vinden. Ik wilde toch vooruit? Over Nothingface heb ik ook zeker tien keer moeten doen voordat ik hem behalve fascinerend ook goed begon te vinden. Toch gekocht dus, en eenmaal gewend aan het afgeknepen stemmetje van Claypool was ik helemaal om. Wat heet, dit was het helemaal! Alles klopte gewoon, niet alleen qua muziek, maar zeker ook de mate van ontvankelijkheid bij mij. Ik wilde toch zo graag anders? Zo graag vooruit? En dus ging ik vooruit, en wel zo snel dat mijn voetbalmaten me niet meer konden volgen. Tot nu toe hadden ze meewarig mijn smaak getolereerd, maar bij Primus trokken ze de grens. Dit was geen muziek meer, dit waren geen liedjes, het was gewoon wat oeverloos geblaat. Maar mijn maten hadden er natuurlijk geen verstand van, da’s duidelijk. Claypool, Larry LaLonde en Tim “Herb the Ginseng-drummer” Alexander vormden het perfecte trio zonder ego’s, met even grote rollen voor gitaar, bas en drums. Uniek en gewaagd, en buitengewoon geniaal. Het samenspel was funky, opzwepend (de versnelling bij het titelnummer!) en virtuoos. Het was allemaal precies wat ik nodig had. Mijn nieuwe favoriete band, en dat zou jaren zo blijven.

 

 

Bovendien heb ik me door Primus ook aan Rush gewaagd. Dat was een band die wel heel vaak terugkwam in recensies, maar aan Rush deed ik niet want dat was veel te soft. Toch? Maar toen ging Primus mee met Rush op tour. Heb ik eerste instantie ook afgedaan als oninteressant, maar uiteindelijk ben ik maar eens gaan luisteren naar verzamelaar Chronicles; vanaf de eerste noten van 'Tom Sawyer' was het wel bekeken en verdronk ik bijna in mijn zelfmedelijden dat ik zo dom was geweest en geen kaartje had gekocht. En Rush rules nog steeds, wat de antiprogpolitie ook moge zeggen. Daarbij is het vaak meer melodieuze technische powerpop dan prog, dan is dat ook weer duidelijk.

 

En Primus? Rulen die ook nog steeds? Moeilijk geval. Ik heb ze intensief gevolgd tot en met Tales from the Punchbowl, maar ben afgehaakt toen Tim Alexander de band verliet. Nieuwe drummer Brain Manta was veel meer groove en rechtvooruit georiënteerd, en dat was ik niet dus daar hield het op. Bovendien hadden ze alles wel gedaan wat ze moesten doen. Vond ik toen. Nu denk ik dat ze al veel eerder hadden moeten stoppen. Sailing the Seas of Cheese kan ik nog wel goed horen, maar Pork Soda zet ik na enkele minuten licht geïrriteerd weer af. Ontzettend vermoeiende plaat is dat geworden, de band lijkt zelf ook erg moe en ongeïnspireerd. Tales from the Punchbowl is wel weer luchtiger – Primus moet wel de enige band ter wereld zijn waarbij ik enige luchtigheid kan waarderen –  en aanstekelijker, maar het is een momentenplaat en uiteindelijk ben ik toch een echte albumman. Blijft over Frizzle Fry (en Suck On This natuurlijk, de debuut liveplaat; ook heel leuk maar omdat het niet mijn eerste kennismaking met de band was is de impact nooit gelijk), en Frizzle Fry is zo’n echte bonafide clichématige klassieker geworden. Nog steeds klopt er alles aan; eigenlijk bijna alles want ‘Too  Many Puppies’ is nog nooit mijn favoriete nummer geweest, en nu dus nog steeds niet. Opvallend is trouwens dat veel gitaarmelodieën nog geschreven zijn door ex-gitarist Tod Huth, en die lijnen lijken veel beter bij die dominante baslijnen te passen dan de wat meer op textuur en dissonantie gerichte partijen van LaLonde. Bewijs daarvoor is ook te vinden op Riddles are Abound Tonight van Sausage, de plaat uit 1994 van Claypool met Primus oerleden Huth en Jay Lane. Zeer goede plaat met geweldige gitaarlijnen, stukken melodieuzer waarmee het totaalgeluid minder steunt op die typische Claypoolbaslijnen. Tegenwoordig is mijn favoriete Frizzle Fry moment echter daar waar de regels worden losgelaten en improvisatie mag zegevieren: ‘Spegetti Western’ drijft op een feedbackende LaLonde en Herb die een complexe groove neerzet, waarna Claypool een anekdote over groep losers (waar hij er zelf een van is) vertelt; daarna valt de bas in met een heerlijk vullende slappartij en mag LaLonde helemaal loos gaan in een ellenlange noisy solo.

 

 

Dat de band tegenwoordig nog bestaat is vooral leuk voor de oude freaks – en als ze in de buurt komen zal ik zeker willen gaan, helemaal als ze weer integraal Frizzle Fry spelen. Daarmee doen ze dat echte nostalgische supersterren-in-de-marge-ding waarmee wij dertigers (en natuurlijk ook jullie veertigers en vijftigers) op emotie worden gepakt en acuut onze tweede jeugd willen beleven. In dit geval zal ik er met plezier intrappen.

 

(Bas Ickenroth)

Comments

comments

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.