Het schaduwkabinet: week 15 – 2018

Ondanks een zondag met lulkoek blijven wij gewoon op Facebook. Hier zijn weer de data van onze lijstjes uit het:

SCHADUWKABINET

We luisterden naar: Eels, Fra Lippo Lippi, Goldmund, Machinefabriek, A Place To Bury Strangers, The Residents (2x), Sly & Robbie meet Nils Petter Molvær feat. Eivind Aarset and Vladislav Delay, Sons Of Kemet en Christina Vantzou.

 


 

Jan Willem

Eels – The Deconsruction (cd, E Works)
Het voelt altijd dubbel als een artiest z’n eigen ellende weet om te zetten in prachtige muziek. Neem Mount Eerie of ook Eels. Aan de andere kant is welke artiest dan ook niet verplicht om dit als een verkoopbaar product aan te bieden. De mooiste muziek schrijft oprichter Mark Oliver Everett alias E van Eels na de vele momenten van verlies, verdriet en persoonlijke dilemma’s. Dan is het invoelbaar en pijnlijk. Misschien heb ik daarom ook lang niet alles van de groep in huis. Zijn laatste cd The Cautionary Tales Of Mark Oliver Everett dateert alweer van vier jaar geleden. Dat is een fraai bezinnend werk vol melancholische schoonheid. Nu is hij terug met The Deconstruction, waarop 15 stemmige tracks staan. De muziek is typisch des Eels, waarbij de muziek hier wel uiteen waaiert van indierock, bluesrock, folk en pop, maar zonder de eerdere noodzaak. Dat neemt niet weg dat de man gewoonweg een uiterst bekwaam muzikant is en daar heerlijk, soms wat gladde songs mee weet te fabriceren. Ook dat voelt dubbel. Dan is er een keer niets aan de hand en dan kan je niets eens ongecompliceerd aan de gang gaan. Ik vind het hoe dan ook prachtige songs, die zich ergens tussen Randy Newman, Tom Waits, Tom Petty, Tindersticks en Mark Lanegan nestelen. Een prachtstem die over akoestische gitaar, fraaie orkestraties en blaaspartijen, een heerlijk melancholisch geluid laat horen. Daarmee levert Eels gewoonweg een prachtig album af.

 

Fra Lippo Lippi – Rarum 80-95 (cd, Rune Arkiv/ Rune Grammofon / Konkurrent)
Als ik tegen sommige mensen zeg dat de Noorse groep Fra Lippo Lippi, met name in de beginjaren, mij net zo dierbaar is als bijvoorbeeld Joy Division, dan krijg ik meestal de reactie dat ze van deze groep echt nog nooit gehoord hebben. Maar als ik zeg dat ze verantwoordelijk zijn voor de megahit “Shouldn’t Have To Be Like That” gaan er meer belletjes rinkelen. Toch zijn de eerste twee albums In Silence (1981) en Small Mercies (1983), die daarvoor zitten en veel duisterder zijn, hier torenhoog favoriet. Deze zijn eerder in de Rune Arkiv serie van het veelal experimentele Rune Grammofon label al eens in een gebundelde versie heruitgegeven. Saillant detail is dat Rune Grammofon labelbaas Rune Kristoffersen deel uitmaakt van die groep. En in alle 4 incarnaties van die groep, die van 1980 tot 1995 zes albums en diverse singles heeft uitgebracht. Voordat ze starten met hun zware new wave en gothrock periode, richten ze zich eerst op luchtige synthpop. Daarna gaat het van wave en gothrock tot later (synth)pop en poprock, of heel grofweg gezegd van Joy Division en Wire tot Orchestral Manoeuvres In The Dark. Nu is er een nieuwe compilatie Rarum 80-95, waarop ze 14 nummers het licht laten zien die hiervoor enkel op 7”- en 12”-es en verzamelalbums op vinyl zijn verschenen. Dat gaat van hun allereerste 7” Tap Dance For Scientists (1980) tot hun laatste opname uit 1995. Het label zegt er ook expliciet bij dat het geen rekening heeft gehouden om er een samenhangend geheel van te maken, al moet ik zeggen dat het goed bij elkaar past. Het is, zeker voor de fans, een fraai overzicht van “missing pieces” geworden.

 

Goldmund – Occasus (cd, Western Vinyl / Konkurrent)
Eigenlijk is de Amerikaanse muzikant Keith Kenniff een geschoold drummer, maar dat instrument verruild hij na zijn twintigste voor piano en elektronica. Hij richt zich dan ook meer op neoklassiek, ambient en elektronische muziek. Naast werken onder zijn eigen naam, die veelal filmisch van aard is, houdt hij er het jazzy Sono, het IDM, wave en ambientproject Helios, de shoegazeband Mint Julep (samen met zijn vrouw Hollie) en het pianogedreven ambientproject Goldmund op na Met die laatst genoemde heeft hij vanaf 2005 vijf albums en een mini afgeleverd. Nu is hij terug met zijn zesde Occasus, waarop 15 nieuwe tracks staan. Het is bezinnende muziek waar de ene keer de minimale pianoklanken meer op de voorgrond treden en op andere momenten de ambientgeluiden. En soms gaan beide in elkaar op, om op dromerige wijze uiteen te waaien. Her en der duiken er ook veldopnames op. Het is zijn meest harmonische en meeslepende album tot nu toe geworden, die als een nostalgische zomerbries over foto’s van weleer en gedachten van nu gaat. Eenmaal gegrepen kan je jezelf moeilijk ontworstelen uit dit fascinerende geheel. Liefhebbers van Brian Eno, Harold Budd, Dustin O’Halloran, Library Tapes en Hauschka moeten beslist eens naar dit magnifieke album luisteren. Zijn allerbeste!

 

Machinefabriek – Dwaal / Wold + (cd, Moving Furniture Records)
Het zou mij niets verbazen als astronauten binnenkort tot de schokkende ontdekking komen dat niet de Chinese muur, maar de discografie van Machinefabriek vanaf de maan zichtbaar is. Dit geweldige en langlopende elektronische project van Rutger Zuydervelt (Cloud Ensemble, CMKK, DNMF, Shivers, Piiptsjilling) weet keer op keer te verrassen met kwalitatief hoogwaardig materiaal. De ene keer is dat met glitch, ambient of minimal music, maar op andere momenten ook met filmmuziek, veldopnames, drones en elektro-akoestische muziek of een combinatie van dat alles. Er bestaan geen grenzen voor hetgeen hij naar buiten brengt. Hij heeft me gekscherend al eens gevraagd of ik niet genoeg van zijn muziek in huis heb en ik denk dat mijn antwoord een overtuigend “nee” is geweest. Iedere keer zorgt Machinefabriek ervoor dat je weer iets op je bord krijgt, wat je niet verwacht had. Daarin schuilt de kracht van de meester. Nu is er de nieuwe cd Dwaal/ Wold+, uitgebracht op het innovatieve Moving Furniture Records van Sietse van Erve (Orphax, Zonderland). Machinefabriek brengt hier de twee tracks uit de titel, die elk 18 minuten lang zijn en bestaan uit een mix van ambient, veldopnames, noise en drones, Met name onder de koptelefoon ervaar je pas echt de subtiliteit van dit alles, hetgeen een isolationistisch geheel oplevert, Het is muziek van de buitencategorie, die je even helemaal weg neemt uit de realiteit. Bezinnende pracht voor de avontuurlijke luisteraar. Als bonus krijg je nog twee herinterpretaties van Nicola Ratti en Kranky artiest Benoît Pioulard, die de klasse van de meester enkel onderstrepen met eigenzinnige creaties. Het levert wederom een onderscheidend meesterwerk op.

 

A Place To Bury Strangers – Pinned (2cd, Dead Oceans / Konkurrent)
Ik vind de vier albums van A Place To Bury Strangers stuk voor stuk goed, laat ik daarmee beginnen. Het Amerikaanse trio brengt nanelijk altijd een heerlijke mix van noise en shoegaze en grabbelen daarbij op ludieke wijze in het verleden. Elk album worden ze een tandje venijniger maar neemt ook het experiment wat toe. Op hun vorige album Transfixiation (2015) weten ze soms ook hun angstaanjagende livegeluid te benaderen. Tweemaal krijgt Oliver Ackermann (zang, gitaar, bas) een etherisch tegenwicht van zangeres Emilie Lium Vordal. Het drietal wordt verder gecompleteerd door Dion Lunadon (bas, gitaar, achtergrondzang) en Robi Gonzales (drums). Voor die laatste is nu Lia Simone Braswell (drums, zang) in de plaats gekomen. Deze drie komen met het vijfde album Pinned, dat meteen al sterk en op gedreven wijzeopent. Of Braswell hier de motor wat heeft aangezwengeld weet ik niet, maar wel wordt snel duidelijk dat de toevoeging van haar zang erg goed klinkt naast die van Ackermann. Ze voegt een extra dimensie toevoegt en is als de kookroom die lucht en ruimte geeft en tevens de maïzena die bindt. De twaalf songs liggen ergens nog wel in de lijn van hun oude geluid, maar weten vaker te verrassen. Dat komt doordat ze wat vaker experimenteren, elektronica toevoegen en tevens met de gitaar- en bassounds lekker variëren en doseren plus dat Braswell een sterk moppie drumt. En ja ze roeren ook nog steeds vuistdik in het verleden, maar hebben dat volledig in hun eigen sound geabsorbeerd. Meer dan ooit tonen ze hun eigen smoel dat bestaat uit een eigengereide mix van wave, noise, shoegaze, post-punk, droompop, kraut- en alternatieve rock. Het is op afwisselende maar coherente wijze spannend, psychedelisch, opzwepend, dromerig, meeslepend, afstandelijk, hard en soms combinaties van die zaken. Alsof je naar een caleidoscopische hybride van The Jesus And Mary Chain, My Bloody Valentine, Static Daydream, Godheadsilo en Joy Division aan het luisteren bent. Daarmee weten ze je (letterlijk) aan de grond vast te nagelen. In 38 minuten delen ze rake en verdomd mooie klappen uit. Dit is hun (voorlopige) magnum opus.
Als je zoals ik de “Brainwashing Machine Edition” hebt, dan zit er nog een tweede schijf bij met nog eens 8 tracks van bij elkaar ruim 27 minuten. En ja, deze past qua lengte samen met het originele album wel op één schijf, maar qua muziek toch niet. Het zijn ook niet bepaald outtakes, die niet op het album passen, maar veeleer meer experimentele tracks die deze aparte schijf rechtvaardigt. Het “brainwashing machine”-effect zal je daar al gauw duidelijk worden, want wat is dit een totaal over de top (op de goede manier) gaand supplement. De muziek is harder, angstaanjagender, meer psychedelisch en soms haast apocalyptisch, waarbij ook een Suicide tot de invloeden lijkt te horen.. Misschien niet zo goed als het album, maar minstens zo overdonderend. En dan ook nog eens gestoken in een schitterend digipack. Een dubbelslag die nog lang zal doorklinken.

 

The Residents – Fingerprince (2cd, Cherry Red Records)
The Residents – Duck Stab / Buster & Glen (2cd, Cherry Red Records)
Eén van mijn favoriete bands aller tijden, The Residents, zijn een samenwerkingsverband met Cherry Red Records aangegaan om hun albums met bonusmateriaal her uit te geven in de zogeheten “pREServed” serie. Inmiddels zijn in deze serie Meet The Residents en Third Reich ’N Roll al opnieuw uitgebracht met vele extra’s. Nu zijn de derde en vierde in de serie verschenen. Allereerst hun derde album Fingerprince (1977), dat op de eerste schijf aangevuld met de 5 nummers tellende Babyfingers epee. Deze zou je al op eerdere versies van het album hebben kunnen aantreffen. Op de tweede schijf wordt het pas echt interessant met de vele niet eerder uitgebrachte tracks, remix, livesongs van het beruchte optreden in Tromsø en demo’s, die er allen mogen wezen. Een uur lang fascinerend materiaal.
De volgende in deze serie is de heruitgave van het vierde album Duck Stab / Buster & Glen (1978), waar vreemd genoeg de Goosebump epee ontbreekt, die ik op mijn eerdere versie wel heb staan. Zal wel een rechtendingetje zijn. Hoe dan ook krijg je hier naast het 14 nummers tellende album uit 1978 op de eerste schijf nog 6 extra niet eerder verschenen tracks. Ondanks de krappe 10 minuten, zijn deze zeer de moeite waard. Op de tweede schijf bieden ze wederom 20 tracks, met een totale lengte van 71 minuten. Het materiaal hierop is wat wisselvalliger. De alternatieve of demo versies van het album en de livenummers zijn aardig, maar de “re-imagined” tracks en remixen maken ook dit, zeker voor de fan, tot een hebbedingetje. Het toont allemaal eens te meer aan hoe de groep uit San Francisco hun tijd ver vooruit is en dat ze nog vele verassingen in hun hoge hoed hebben zitten.

 

Sly & Robbie meet Nils Petter Molvær feat. Eivind Aarset and Vladislav Delay – Nordub (cd, Okeh)
Ik heb wel wat reggae en dub in huis, maar niet heel veel. Van het legendarische Jamaicaanse duo Sly & Robbie heb ik, tot mijn schaamte, niets in huis. Ik ken de namen en wat muziek, maar dat is het dan wel. Maar als zij de cd Nordub maken samen met de Noorse trompettist Nils Petter Molvær, waaraan ook de Noorse gitarist Eivind Aarset en de Finse elektronicaspecialist en producer Sasu Ripatti aka Vladislav Delay deelnemen, dan is de blinde aanschaf een feit. Van die heb ik namelijk genoeg in huis om te weten dat dit wel tot iets interessants moet leiden. Tevens doen er nog gasten mee op de sampler, gitaar, synthesizer, orgel, programmering en veldopnames, waaronder Erik Honoré en Jan Bang, die het geheel ook heeft geproduceerd en opgenomen. In ruim een uur brengen ze hier 10 tracks ten gehore die zowel dubby als jazzy zijn, maar tevens gelardeerd worden met Noorse ambient en subtiele elektronische experimenten. Dat leveren weliswaar relaxte, laid back en uitstekend uitgevoerde tracks op, maar de atmosfeer is best mistig, duister en mysterieus. Het is achteroverleunen op de punt van je stoel. Al met al een zeer geslaagde onderneming!

 

Sons Of Kemet – Your Queen Is A Reptile (cd, Impulse!)
Ik krijg wel eens de vraag of ik ook van jazz houd en kan daar geen simpel antwoord op geven. Soms wel en soms niet. De traditionele jazz vaak niet, maar de meer avontuurlijke, filmische of de met jazz geïnjecteerde hybriden dikwijls wel. De Britse superband Sons Of Kemet geldt al jaren als een ongekende sensatie, althans voor mij. Onder leiding van saxofonist en componist Shabaka Hutchings hebben ze al de twee albums Burn (2013) en Lest We Forget What We Came Here To Do (2015) afgeleverd, waar ze telkens aantonen over een originele, dynamische aanpak te beschikken. Als een soort dynamo’s laden ze bakken aan energie op tijdens hun spel. Dat is ook weer het geval op Your Queen Is A Reptile. Samen met tubaspeler Theon Cross, drummers Tom Skinner en Sebastian Rochford en nog wat gasten op drums, saxofoon en zang brengen ze hier weer 9 uiterst energieke tracks ten gehore. De basis is weliswaar jazz, maar dat larderen ze met dub, afrobeats, freejazz, tribal, brass, reggae en rock. Dat levert verrassende muziek op die dynamisch, rauw, ontwapenend, tot de verbeelding sprekend en eigenlijk ook grenzeloos werelds is. De muziek weet je op haast hypnotiserende wijze even helemaal uit de realiteit te halen. Het schuurt, groovet, beukt en is gewoonweg zo anders dan je doorgaans hoort. Alsof Colin Stetson, Portico Quartet, Už Jsme Doma, Hidden Orchestra en Polar Bear een duister verbond zijn aangegaan. Een sensationeel album van de buitencategorie!

 

Christina Vantzou – No. 4 (cd, Kranky / Konkurent)
Nadat ze deel heeft uitgemaakt van The Dead Texan, samen met haar ex-man Adam Bryanbaum Wiltzie (Stars Of The Lid, Sleepingdog, A Winged Victory For The Sullen, Aix Em Klemm), brengt Christina Vantzou vanaf 2011 onder haar eigen naam prachtige albums uit. Deze krijgen de simpele titels No. 1 (2011), No. 1 Remixes (2012), No. 2 (2014) en No. 3 (2015) mee, dat terwijl de muziek behoorlijk complex en intens is. De Amerikaanse, die tegenwoordig in België woont, komt met haar composities meestal ergens tussen ambient en neoklassiek uit, die behoorlijk diepgravend zijn. Dat is op, jawel, No. 4 niet anders. Ze heeft 11 stukken gecomponeerd, waarbij ze zelf de synthesizerpartijen op zich neemt. Hierbij krijgt ze verder steun van muzikanten op viool, piano, cello, altviool, rhodes, harp, gong, synthesizers, marimba, vibrafoon en zang. Onder hen Clarice Jensen, Steve Hauschildt, Angel Deradoorian (ex-Dirty Projectors) en The Echo Collective (A Winged Victory For The Sullen, Jóhann Jóhannsson, Stars Of The Lid, Dustin O’Halloran, Daniel O’Sullivan, Erasure). Met een mengelmoes van drones, ambient en neoklassiek schetst ze minimale, melancholische, ruimtelijke en experimentele klanklandschappen, die diepe snaren raken en tot de verbeelding spreken. Veel stukken zijn behoorlijk duister en wanneer de zang(flarden) klinkt ook best spookachtig, maar wat een overdonderende schoonheid! Liefhebbers van Stars Of The Lid, Grouper, The Caretaker, A Winged Victory For The Sullen, Arvo Pärt, Olan Mill en Harold Budd doen er goed aan deze beauty eens tot zich te nemen.