Het schaduwkabinet: week 07 – 2018

Wij zijn weer eens op bezoek geweest bij Poetin. En toch geen muziek uit Groot-Rusland in onze lijstjes uit het:

SCHADUWKABINET

We luisterden naar: Benjamin Finger, Jóhann Jóhannsson, Loma, Madensuyu, 1921, Ought, Mark Renner, Max Richter, Rhye, Susanna, VanWyck en Marlon Williams.

 


Jan Willem

 

Benjamin Finger – Scale Of Blindness (cd-r, Eilean Rec)
De Noorse muzikant Frank Benjamin Finger, die meestal opereert onder zijn tweede naam en achternaam, is een nogal bezige bij. Naast muziek maken houdt hij zich ook bezig met dj sets, films en fotograferen (hij is een geschoold fotograaf). Daarnaast maakt hij tevens deel uit van het sterke elektronische duo Beneva Vs. Clark Nova. Solo maakt hij veelal een extroverte experimentele mix van folktronica, ambient, veldopnames, techno, glitch en soms ook shoegaze, wat in feite geen enkele rekening houdt met welke genregrens dan ook. Nu is zijn nieuwste, als ik goed tel elfde album Scale Of Blindness een feit, uitgebracht op het innovatieve Eilean Rec. Die brengen veelal cd-r’s met de look en feel van een gewone cd. Dat is ook hier het geval. Hij presenteert 8 nieuwe tracks, die zich weer een ambientachtige weg boren door allerlei genres en stijlen. Finger heeft daarbij hij oog voor de kleine, microscopische details. De muziek is wel zo gerangschikt dat het geen brij wordt, maar een pakkend en tegelijk mysterieus geheel waaruit ook sterke emoties naar boven komen. Het is zo knap gedaan, dat je er ook niet eenvoudig de vinger op kunt leggen. Zoek het ergens tussen Oval, Caught In The Wake Forever, Tim Hecker, Orla Wren, Colleen en Fieldhead. Gelukkig kan je het hieronder gewoon zelf beluisteren. Een net zo meesterlijk als fraai unicum.

 

Jóhann Jóhannsson – The Mercy (cd, Deutsche Grammophon)
Net als Max Richter hieronder, waarvan ik zijn nieuwe cd eerder binnen heb gekregen, zijn de IJslandse componist Jóhann Jóhannsson en het label Deutsche Grammophon goede maatjes geworden. Dat geldt zowel in het uitbrengen van zijn reguliere studioalbums als zijn soundtracks. Jóhannsson is nu terug met de filmmuziek voor The Mercy van de gelijknamige film van James Marsh, waar ook deels oude (film)muziek van hem in terugkomt. Het verschil met zijn vakbroeder is toch wel dat Jóhannsson naast een standaard orkest ook gebruik maakt van celliste Hildur Guðnadóttir en diverse andere muzikanten. Tevens levert hijzelf een belangrijke bijdrage op piano, keyboards, synthesizer, celesta, orgel, programmering en overige elektronica. Hierdoor sluit deze release ook nog meer aan op zijn eigen studiowerk. Het levert een prachtig droefgeestig neoklassiek album op vol bijzondere experimenten. Maar alles wordt hierbij eigenlijk overschaduwd doordat deze fantastische componist op 48-jarige leeftijd afgelopen vrijdag is overleden. Geen “mercy” voor hem en ik ben bezig met zijn laatste album te recenseren. Het is eigenlijk niet te bevatten. Maar wat een prachtige muzikale erfenis laat deze reus achter! Rust in vrede brenger van al dit moois. Ik ben er echt oprecht kapot van.

 

Loma – Loma (cd, Sub Rosa / Konkurrent)
Soms ontstaan er plots vanuit het niets ineens uiterst bijzondere projecten. Zo bengen Emily Cross en Dan Duszynski van Cross Record samen met Jonathan Meiburg (Shearwater, Okkervil River, Blue Water White Death) nu als Loma hun gelijknamige debuut uit. Daarmee brengen ze een uiterst mysterieus geluid naar buiten. Ze klinken als een soort This Mortal Coil, maar dan niet enkel samengesteld uit 4AD-bands, maar een broeierige mix van His Name Is Alive, Swallow, Low, Broadcast, Can, Silver Apples, Rhye en Nina Nastasia. Dat levert 10 meeslepende en bovenal dromerige tracks op, die je niet onberoerd laten. De haast skeletachtige instrumentaties leveren ook zeker een bijdrage aan hun eigenzinnige, droefgeestige sound, waarbij de krautrockachtige structuren wel zorgen voor een zekere drive. Het is evenzo mystiek als aards, maar door hun aparte benadering van de muziek krijg je iets totaal unieks voorgeschoteld, waar je niet eenvoudig de vinger op kunt leggen. Een bij de strot grijpende schoonheid.

 

Madensuyu – Current (cd, Unday / N.E.W.S.)
Ruim 4 jaar geleden eindigt de derde cd Stabat Mater van het Gentse duo Madensuyu op de tweede plek in mijn jaarlijst van 2013. Ik noem het album dan ook een monumentaal meesterwerk om stil van te worden. Stijn “Ylode” De Gezelle (5-snarige gitaar, keyboards, zang) en Pieterjan Vervondel (drums, zang) laten daarop een evenzo venijnig en ritmisch als bevlogen en wonderschoon geluid horen. Het duo staat bekend om hun vernieuwing en tevens om hun fraaie artwork. Nu hebben ze hun nieuwe cd Current ook weer in een prachtige, gelimiteerde box gestoken en hebben ze eveneens hun muzikale aanpak over een andere boeg gegooid. Er is nu een belangrijke rol weggelegd voor de piano. Dit haalt wel de angel uit hun sound, maar de drive achter dit alles plus de emotionele aanpak blijft daarbij overeind. Ik ben dan ook een grote voorstander van bands die telkens op zoek gaan naar een nieuwe sound of andere aanpak. Madensuyu toont aan dat ze authentiek en avontuurlijk zijn. Dat levert dan ook 10 energieke prachtsongs op, waarbij ik eerlijkheidshalve wel moet zeggen dat ik soms het venijn van weleer een beetje mis, al krijg je daar wel een hoop bezinnende schoonheid voor terug. Tevens brengen ze minimal music en een heerlijke motorik, die hun postrock van weleer opsiert. Het is even wennen, maar na een tal luisterbeurten kan ik enkel concluderen dat ze wederom een verbluffend mooi album hebben afgeleverd en als geen ander weten te verrassen.

 

1921 – In My Veins (lp, Compunctio Label)
De Zweedse muzikant David Åhlén beschikt over een werkelijk schitterende, emotioneel geladen falsetstem. Daarmee heeft hij al 3 soloalbums mee gevuld, waarbij deze steeds fraai omwikkeld wordt door nachtelijke, mystieke en haast klassieke muziek. Een deel hiervan is via het geweldige Volkoren label uitgebracht. Daarnaast is hij ook te horen in groepen als Momo en Namur. Samen met toetsenist Andreas Eklöf (synthesizer, elektronica), die ook al fraai neoklassiek solowerk het licht heeft doen zien, vormt hij nu 1921. Ze debuteren nu met hun debuut In My Veins, waarop ze 10 songs presenteren van bij elkaar een goede 34 minuten. Je krijgt weer die breekbare, hoge zang van Åhlén, die je niet onberoerd zal laten. Het kruipt diep onder je huid je aderen in en zorgt voor een haast narcotiserend effect. Eklöf voorziet dat alles van een uiterst stemmig, droefgeestig decor. De Christelijke achtergrond van de muzikanten speelt wel een rol (“Holy”, “Psalm 115”), maar zorgt hier vooral voor een serene atmosfeer, die ook niet-christelijke luisteraars zal kunnen bekoren. Liefhebbers van onder meer Åhlén’s solowerk, Bon Iver, Arvo Pärt, At The Close Of Every Day, James Blake en The White Birch zullen er hun hart aan ophalen. Muziek waar je gewoonweg even helemaal stil van wordt.

 

Ought – Room Inside The World (cd, Merge / Konkurrent)
De Canadese postpunkgroep Ought wordt in 2011 opgericht, waarna ze de albums More Than Any Other Day (2014) en Sun Coming Down (2015) op het prestigieuze Constellation label uitbrengen. In korte tijd laat de groep, bestaande uit uit Tim Darcy (zang, gitaar), Ben Stidworthy (bas), Matt May (keyboards, gitaar, synthesizer) en Tim Keen (altviool, drums, vibrafoon, synthesizer), dan al in korte tijd een groei zien. Ze maken op hoekige, stekelige wijze een fraaie dwarsdoorsnede van de wave, noise, psychedelische rock en postpunk. Vorig jaar verschijnt nog het solodebuut van Tim Darcy, maar nu is Ought terug met Room Inside The World. Daarbij zijn ze overgestapt naar het Merge label. Hierop brengen ze in 40 minuten tijd 9 songs, waarin ze het wat kalmer aan doen dan voorheen. Misschien is de muziek daardoor iets meer uitgebalanceerd en wellicht mooier geworden en zal het vermoedelijk ook een bredere groep luisteraars aanspreken. Neemt niet weg dat de muziek nog altijd pakkend en meeslepend is en over een zekere urgentie en ontwapende stekeligheid beschikt, waarbij de kenmerkende, licht dramatische zang van Darcy nog altijd een grote rol speelt. Daarbij krijgen ze nog hulp van een viertal muzikanten op gitaar, keyboards, noisebox, saxofoon, klarinet en zang. Dat alles levert muziek op waar de harten van de fans van Xiu Xiu, Protomartyr, Television, Sonic Youth, Talking Heads, Joy Division en Parquet Courts sneller van gaan kloppen. En daarmee leveren ze gewoon hun derde sterke cd op rij af.

 

Mark Renner – Few Traces (cd, Rvng Intl / Konkurrent)
In een vrij korte periode (1982-1990) heeft de Amerikaanse muzikant Mark Renner deel uitgemaakt van de muziekbusiness. Tegenwoordig houdt hij zich meer bezig met schilderen. Maar hij heeft, sterk beïnvloed door Ultravox, Yellow Magic Orchestra, Bill Nelson en The Associates, toch wel wat materiaal uitgebracht. Daarvan is een deel nu gebundeld op Few Traces, waarvan het leeuwendeel afkomstig is van zijn album All Walks Of This Life (1986). Dat wordt aangevuld met tracks van cassettes, 7”-es, zijn tweede album Paint Of Joy (1988) en niet eerder uitgebrachte tracks. Dat levert 21 geweldige tracks op van bijna 64 minuten lang, die deels instrumentaal en deels gezongen worden. Renner beschikt over een prettig onderkoelde, herfstige stem die hij plaatst onder zijn mengelmoes van new wave, synthpop en rock. Daarmee komt hij ergens tussen This Kind Of Punishment, Arthur Russell, The Wake, Felt, New Order, Durutti Column en Dif Juz uit. Heel fijn dat deze muziek uit de archieven is gehaald.

 

Max Richter – Hostiles (cd, Deutsche Grammophon)
Het Duitse klassieke label Deutsche Grammophon en de uit datzelfde land afkomstige Britse componist Max Richter hebben elkaar helemaal gevonden, want ze brengen zowel diverse nieuwe werken als soundtracks van hem uit. En Richter heeft het in zich om deze beide werelden dicht bij elkaar te brengen. Dat wil zeggen dat zijn reguliere albums niet onder doen voor hetgeen hij in zijn soundtracks laat horen. Dat geldt ook zondermeer voor zijn nieuwste soundtrack Hostiles van de gelijkluidende film van Scott Cooper, waarbij Richter weer een zwaarmoedig geluid aan de dag legt. Zijn neoklassieke touch is hierbij weer zeer herkenbaar, maar het spreekt ook weer tot de verbeelding, waarbij de film niet nodig is om dit alles te kunnen bevatten. Het is allemaal van een droefgeestige, orkestrale pracht, waar Richter het patent op lijkt te hebben.

 

Rhye – Blood (cd, Loma Vista/ Innovative Leisure)
In 2013 debuteert Rhye met het warme, nachtelijke R&B album Woman, dat je meermaals aan Sade doet denken. Toch bestaat de groep uit de Canadese zanger Michael Edward Milosh en de Deense instrumentalist Robin Braun. Deze laatstgenoemde heeft het veld geruimd en Rhye is nu het soloproject van Milosh (zang, drums, keyboards, synthesizer, piano, gitaar, strijkarrangementen) geworden. Hij komt nu eindelijk met de langverwachte opvolger Blood. Hierop laat hij zich begeleiden door diverse gasten op blaas- en strijkinstrumenten, orgel, keyboards, gitaar, synthesizer, bas, piano en strijkarrangementen. Het levert weer 11 uiterst zwoele tracks op, die ook een zekere onderkoeldheid kennen. Nog altijd bestaat de hoofdmoot uit een soort hedendaagse R&B, maar zitten er ook soul, funk, pop, kamermuziek en cold wave elementen in de muziek besloten. Ik denk dat als je een mix maakt van Sade, The xx, James Blake en The Weeknd je wel ergens in de buurt komt. Hartverwarmende pracht voor de koude dagen.

 

Susanna – Go Dig My Grave (cd, Susanna Sonata / Konkurrent)
Dat Susanna Wallumrød over een magisch mooi stemgeluid beschikt mag inmiddels bekend zijn. De muzikale omlijsting mag er ook vrijwel altijd wezen, waarbij de hoeveelheid muzikanten nog wel eens verschilt per album. Tel je al haar werken solo en met The Magical Orchestra, Ensemble NeoN, Jenny Hval en Giovanna Pessi bij elkaar op dan is Go Dig My Grave alweer haar twaalfde cd. Ditmaal weer eens een coveralbum waar ze bijzondere versies brengt van traditionele en anonieme songs plus covers van Elizabeth Cotten, Henry Purcell, James Shelton, Joy Division en Lou Reed. Door haar prachtige zang geeft ze al glans aan al die nummers, maar ook de manier waarop ze deze brengt. En wat te denken van de schitterende Barokke omlijsting. Susanna (zang, kalimba) wordt daarbij geholpen door Giovanna Pessi (Barokharp), Ida Løvli Hidle (accordeon) en Tuva Livsdatter Syvertsen (Hardanger viool, vedel, zang). In drie kwartier krijg je bij de strot grijpende pracht, die van een andere orde is.

 

VanWyck – An Average Woman (cd, Maiden Name Records/ Christine Oele)
Een megatip noemt muziekliefhebber AK de cd An Average Woman van VanWyck al, die me op deze release wijst. Dat is misschien wel de understatement van het jaar, want dit is echt zo’n album dat je meteen op narcotiserende wijze weet te verlammen en je overlaadt met schoonheid, die je nauwelijks kunt bevatten. VanWyck is het nieuwe alias van zangeres Christine Oele, die in Nieuw-Zeeland is opgegroeid en daardoor ook vlekkeloos Engelstalige zang brengt. Eerder is ze vanaf 1995 al te horen in de groepen Hit The Boom en later Nevada Drive. Die laatste staan bekend om hun fraaie bluesrock. Als VanWyck tapt ze meer uit altcountry, singer-songwritermuziek, Americana en neoklassieke vaatjes. Oele (zang, akoestische gitaar) wordt daarbij ondersteund door muzikanten op bas, contrabas, akoestische gitaar, elektrische gitaar, piano, keyboards, drums, violen, altviool, cello en zang, waaronder Reyer Zwart die ook de zinnenstrelende strijkarrangementen voor zijn rekening neemt. In elf tracks laten ze naast de verlammend mooie zang van Oele ook wonderschone muziek horen, die van hoogtepunt naar hoogtepunt gaat. Daarbij leggen ze de accenten steeds weer net anders, waardoor je associaties met Cowboy Junkies, Low, Chantal Acda, Suzanne Vega, PJ Harvey, Trespassers William, Tarnation, Tanita Tikaram en The White Birch in je schoot krijgt geworpen. En eigenlijk doet geen enkele vergelijking echt recht aan hetgeen ze hier laten horen. Ze brengen een volslagen eigenzinnig geluid, dat zowel tijdloos als bloedmooi is. Normaal gesproken begin ik zo vroeg in het jaar niet over de jaarlijstjes, maar hier kan ik er eigenlijk niet omheen. Bepaald geen gemiddelde vrouw.

 

Marlon Williams – Make Way For Love (cd, Dead Oceans / Konkurrent)
In 2016 verschijnt bij het gelijknamige debuut van de in Australië woonachtige Nieuw-Zeelandse zamger/gitarist Marlon Williams, dat ik een droomstart en belofte voor de toekomst noem. Hij laveert daarop nog wel eens tussen diverse genres als psychedelica, Americana, singer-songwritermuziek, indie, folk en georkestreerde ballads, hetgeen te maken heeft met zijn visie dat elke song die hij schrijft een zekere persoonlijkheid in zich herbergt. Voor zijn tweede album Make Way For Love houdt hij het dichter bij zichzelf en komt hij met een veel constanter en vooral nóg beter geluid naar buiten. Hier komt ook zijn prachtig eigenzinnige zang beter uit de verf. Zijn stem heeft iets tijdloos en komt uit op het kruispunt van Roy Orbison, Nick Cave, Scott Walker, Antony en Chris Isaak. Typisch zo’n stem die keihard binnenkomt. Maar daar heeft hij ook wonderschone muziek omheen gemaakt, hetgeen in een stroomversnelling gaat als het eind vorig jaar uitgaat met zijn vriendin Aldous Harding. Zij is nog wel in de song “Nobody Gets What They Want Anymore”. Daarnaast mag hij weer rekenen op een keur aan gasten op gitaar, bas, drums, viool, mandoline en zang. Het levert een werkelijk zinnenstrelend geheel op, dat ergens tussen ballads, rock, altcountry en folk inzit en waarbij Williams zich van een uiterst kwetsbare kant toont. Denk aan een hybride van Antony And The Johnsons, Nick Cave, The Last Shadow Puppets, Jeff Buckley en John Grant. Muziek die je niet onberoerd zal laten. Hiermee is de belofte niet alleen ingelost, maar zelfs in geen velden of wegen meer te bekennen.