NNM is een serie waarin we nieuwe muziek van Nederlandse artiesten bespreken.
Stephen Emmer – Asymmetrical Dot (cd, Stephen Emmer)
De NNM-serie is al jaren eigenlijk mijn favoriete categorie om voor te schrijven. Het lijkt op zich een nauw genre om je enkel te focussen op muziek van Nederlandse bodem, maar het is eigenlijk één van de meest afwisselende gebleken door de jaren heen. Dat blijkt ook wel weer bij de Amsterdamse muzikant en componist Stephen Emmer. Hij is de zoon van de iconische nieuwslezer Fred Emmer (1934-2019), die de wat oudere jongeren onder ons nog wel kennen. Stephen begint zelf ooit in de legendarische Minny Pops en duikt ook op in The Lotus Eaters, maar ontpopt zich als begenadigd componist en tevens producer, die opduikt naast Lou Reed, Julian Lennon, Midge Ure en meer. Vanaf 1982 brengt hij eigen werk uit, met nog één in 1991. Toch komt zijn solocarrière pas echt van de grond in 2007, waarna onregelmatig werken van zijn hand verschijnen, die van zijn new wave begin en filmische vervolg zich steeds meer bewegen tussen jazz noire, minimal music, elektronica en neoklassiek. Terecht werd hij geridderd voor zijn verdiensten. Maar het allerbelangrijkste is natuurlijk dat zijn muziek onderscheidend is.
Nu presenteert hij zijn negende solowerk Asymmetrical Dot. Dit is uiterst persoonlijk en intiem geworden, hetgeen zijn muziek eigenlijk altijd wel typeert. Zijn achtergrond, met name die van zijn ouders en grootouders, spelen altijd al een grote rol. Die brachten namelijk werelden samen, die op het eerste gezicht ver uit elkaar leken te liggen, te weten een Nederlandse en Indonesische, Europese harmonie en oosterse ritmes en orde en asymmetrie. Stephen leerde al vroeg dat identiteit ambigu is en buiten de standaardhokjes om te denken; niks uitsluiten, maar includeren wat bij je past. Een open mind, zo zou je kunnen stellen. Dat heeft al tot menig geweldig album geleid, maar deze krijgt hier een extra lading en ambiguïteit door het feit dat zijn moeder is overleden en tevens zijn eerste kleinkind is geboren. De dood hoort net als de geboorte bij het leven, maar het geeft een dubbel gevoel; geluk omarmt verdriet en maakt zaken enigszins logisch en dragelijk. Stephen (piano, gitaar, bas, keyboards, elektronica) heeft hier 14 stukken gecomponeerd, die laveren tussen minimal music, jazz noire, neoklassiek en wereldmuziek. Hij werkt samen met muzikanten uit Armenië, Venezuela, Peru, Indonesië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De muziek is uiterst melancholisch, een gevoel dat zowel uit verdriet als geluk kan ontstaan, en komt keihard binnen; wellicht ook omdat ik mijn eigen moeder onlangs ben verloren dit jaar en wees ben geworden. Stephen omringt zich hier met gastmuzikanten op cello, viool, klarinet, saxofoon, trompet en zang (Beth Hirsh, Arpi Alto, Courtney Swain, Maria Alejandra Quintanilla), die soms woordeloos maar altijd veelzeggend is. Het levert echt tot de verbeelding sprekende muziek op, die je denk ik niet onberoerd laat. Het gaat daarbij van hoogtepunt naar hoogtepunt, ook al zit je qua gevoel soms in de diepte. Hij brengt daarbij odes aan Mark Hollis en David Lynch, hetgeen de spanwijdte van zijn muziek ook wel kenmerkt. Je moet daarbij denken aan een soort kruisbestuiving van Robert Moran, Zbigniew Preisner, Henryk Górecki, Pablo Casals, Bohren Und Der Club Of Gore, Iva Bittová, Dead Can Dance Michel Banabila en Machinefabriek. Het is echt een ontzaglijk, ontroerend en contemplatief meesterwerk geworden, dat het leven in alle facetten belichaamt.
