Het schaduwkabinet: week 34 – 2017

BAM! Terug van ons reces. Dompel je nu maar heerlijk onder in de zomerse releases van onze lijstjes uit het:

SCHADUWKABINET

We luisterden naar: Aälma Dili, Poppy Ackroyd, Ólafur Arnalds, Basco, Matthew Bourne, Caroline Says, Sylvain Chauveau, Downtown Boys, Paul Draper, The Duke Spirit, EMA, Gold Class, Gordi, Gemma Humet, Iron & Wine, Adrian Lane, Briana Marela, James Vincent McMorrow, Amy O, Papir, Jens Pauly, Planning For Burial, Graham Reynolds, Rolling Blackouts Coastal Fever, Joseph Shabason, Matteo Uggeri, UNKLE, Vlimmer & Thanatoloop, Widowspeak, Various Artists: Abatwa (The Pygmy), Leprous, Sean Price en Insane Poetry.


 

Jan Willem

Aälma Dili – Pour Une Poignee De Dinars (cd, Vlad / Xango Music Distribution)
Aälma Dili, hetgeen “de ziel van de dwaas” in het Romani betekent, is een bont gezelschap uit Frankrijk. Het zijn vier vrienden uit de buitenwijken van Parijs en bij het maken van muziek hebben ze humor en Roma melancholie altijd hoog in het vaandel staan. Emilio Castiello (zang, viool, mandoline), Clément Oury (zang, viool), Benoit Vincent (zang, gitaar) en Johnny Montreuil (zang, bas) presenteren hun album Pour Une Poignee De Dinars, hetgeen een dikke knipoog naar de spaghettiwestern A Fistful Of Dollars van Sergio Leone. In de titelsong brengt Aälma Dili ook hun eigen versie van Ennio Morricone’s titelsong uit die film. De heren van Aälma Dili houden er echter alleen een geheel eigen western op na, die gaat van de Balkan naar Griekenland, Italië en Frankrijk waarbij ze allemaal achterstevoren op hun ezel zitten. Het is overigens serieus te nemen humor en er wordt niet enkel gelachen in hun mix van chansons, crooners, punk songs en Roma muziek. Daarbij zit het allemaal uitstekend in elkaar en weten ze je moeiteloos mee te nemen op hun prettig gestoorde trip. En voor een vuistvol dollars kan dit te gekke plaatje ook gewoon van jou zijn.

 

Poppy Ackroyd – Sketches (cd, One Little Indian / Konkurrent)
Het wemelt tegenwoordig van de aardige pianospelers. En een piano is altijd maar een piano, echter weet een aantal van hen zich toch te onderscheiden door net de juiste emotionele snaar te raken door de juiste toets in te drukken. Daarbij lijken sommige pianisten wel eens op elkaar, maar als je de echte emotie weet over te brengen, dan doe je iets goed. Zo kom ik terug van weer een geweldige vakantie in Frankrijk en vind ik de derde cd Sketches van Poppy Ackroyd, een Britse klassiek geschoolde pianiste/violiste, op de mat. Zij maakt tevens deel uit van het geweldige Hidden Orchestra, maar laat solo ook op sterke wijze van zich horen. Zo ook op deze derde schijf, waar ze zich vooral op het solopianospel focust. De zomerzon, de leesavonden, de rode wijn en het fijne niks doen zit nog in mijn systeem en zij lijkt er een prima soundtrack voor te hebben geschreven. Het doet me ondanks of misschien wel juist door de melancholische ondertoon terugdenken aan het fijne dat alweer geweest is. Dat stemt me droevig en ook uiterst tevreden en blij, want het maakt dat er ook weer iets is om naar uit te kijken. Dit soort contemplatieve muziek mag in dozijnen door de brievenbus gegooid worden. Liefhebbers van Dustin O’Halloran, Max Richter, Hauschka, Ólafur Arnalds, Library Tapes, Sylvain Chauveau en Nils Frahm doen er goed aan dit prachtalbum tot zich te nemen.

 

Ólafur Arnalds – Eulogy For Evolution 2017 (cd, Erased Tapes / Konkurrent)
In 2007 verschijnt er een nieuw broekie aan het elektronische/neoklassieke front, te weten de 20 jarige IJslandse componist/multi-instrumentalist Ólafur Arnalds. Zijn debuut Eulogy For Evolution is een evenzo ontroerend als verrassend album, dat het hoog schopt in mijn jaarlijst. Hij brengt hier heerlijk melancholische en mysterieuze -mede door de titels die enkel uit cijferreeksen bestaan- neoklassiek, vooral piano en strijkers, maar komt tweemaal ook vanuit het niets met luide postrock aanzetten. Dat past wonderwel. Dit maakt het album heel anders dan veel van zijn soortgenoten. Het blijft één van zijn beste albums, al is zijn latere werk ook ronduit schitterend. Nu is hij 30 jaar en vindt men het tijd om van dit tienjarige debuut te remasteren, hetgeen hier door Nils Frahm wordt gedaan. Tevens wordt de cd voorzien van nieuwe artwork. Het weet me ook in deze opgepoetste versie weer net zo te grijpen als toen. Een waar droomdebuut dat elke melancholicus en liefhebber van de betere neoklassiek moet hebben. Moet, ja!

 

Basco – Interesting Times (cd, GO’Danish Folk Music / Xango Music Distribution)
Basco is een folkgezelschap met leden uit Denemarken, Zweden en Australië, dat al zo’n tien jaar aan de weg timmert. Ze zijn bepaald niet scheutig met hun releases, want na het debuut The Crow In The Walnut Tree (2008) volgen nog Big Basco (2011) en The Remarkable Return Of Old Man Basco (2013). De groep bestaat uit Ale Carr (cittern (soort banjo)), Andreas Tophøj (viool, altviool), Hal Parfitt Murray (zang, viool, mandoline) en Anders Ringgaard (accordeon, trombone). Het leuke is dat ze zich niet toespitsen op enkel folk uit eigen land, maar gewoon datgene laten horen wat ze mooi vinden. Dat loopt uiteen van Amerikaanse en Engelse tot Scandivische en Keltische muziek; Pan-Atlantische folk noemen ze het zelf wel. Dat geldt ook voor hun nieuwste wapenfeit Interesting Times, waarbij ze naast de genoemde windrichtingen soms ook richting neoklassiek en klezmer koersen. Gewoon een wereldse grog van folk. De rode draad is zoals altijd de licht melancholische tint, die muziek ook zo mooi maakt. Ze brengen in een goede 48 minuten tien zinnenstrelende nummers ten gehore, die op twee na instrumentaal maar ook dan veelzeggend zijn. De muziek neemt je mee op een schitterende, avontuurlijke reis langs vele continenten, waarvan sommige tegelijkertijd. Ik kan zeggen dat ze ergens tussen Clogs en Frifot inzitten, maar dan bedoel ik ook heel veel ertussen. Gewoon zelf luisteren is het beste devies in deze. Wereldplaat!

 

Matthew Bourne – Isotach (cd, Leaf / Konkurrent)
Matthew Bourne is een Britse jazzpianist/componist, die zich bepaald niet vastpint op één stijl. Hij heeft in zijn jonge jaren al diverse prijzen in de wacht gesleept, waaronder de Perrier Jazz Award en BBC Jazz Award. Daarnaast werkt hij samen met Geoff Smith, Steve Davis, Dave Kane, Trio Grande, Dave Stapleton, Dan Berridge, Tony Bevan, Barre Philips, John Zorn, Marc Ribot, Tony Buck, Franck Vigroux en meer. Hij gaat van freejazz, abstracte muziek en improvisaties naar neoklassiek, jazz en elektronische muziek. Ik vind zijn album Montauk Variations (2012), waarop hij meer de neoklassieke hoek opzoekt, één van de mooiste. Zijn album Moogmemory (2016), waarop hij as een chirurg, architect en virtuoos te keer gaat op de mini-Moog, vind ik dan weer één van zijn meest interessante. Maar een nieuwe Bourne kan van alles betekenen, zoveel moge duidelijk wezen. Hij presenteert nu zijn nieuwe album Isotach, waar hij terugkeert naar de piano en tevens de cello en synthesizer. Hij brengt skeletachtige, verstilde stukken die emotioneel echter enorm overweldigend zijn. De melancholische, soms haast desolate muziek beweegt zich ergens tussen neoklassiek, jazz en lichte improvisaties. Het laat veel aan de verbeelding over en daardoor droom je dikwijls weg. Het doet me denken aan een mix van Steve Naïve, Dakota Suite, David Darling, Ólafur Arnalds, Nils Frahm, Erik Satie en Rachel’s, zij het dat de muziek van Bourne dikwijls meer rudimentair is. Zijn kracht zit hem vooral in de ogenschijnlijke eenvoud en de gracieuze aanpak. Een wonderschoon en bij de strot grijpend werk!

 

Caroline Says – 50,000,000 Elvis Fans Can’t Be Wrong (cd, Western Vinyl / Konkurrent)
Caroline Says is het project van de Amerikaanse singer-songwriter Caroline Sallee, die live wel optreedt met gasten (Brad, Maud en David als je het echt wilt weten). In 2014 neemt ze op 22-jarige leeftijd de cassette 50,000,000 Elvis Fans Can’t Be Wrong, waarbij haar projectnaam van Lou Reed afkomstig is en titel naar een onofficieel Elvis album verwijst. De negen tracks die ze daarop aflevert bevatten een dromerig en lo-fi achtig geheel, waarmee ze ergens tussen droompop, shoegaze, bossanova en garagerock uitkomt. Dit kleurt ze met van alles en nog wat op sfeervolle en steeds verrassende wijze in, waarbij haar bitterzoete zwoele zang prachtig ingebed wordt. Het levert een evenzo charmant als wonderschoon geheel op, dat je ergens tussen Lali Puna, Shannon Stephens, Belly, Brian Wilson, Swallow, Trish Keenan en Stereolab plaatsen. Dit veelbelovende debuut is nu op cd verschenen en zal menig romantisch hart sneller doen kloppen.

 

Sylvain Chauveau – Kogetsudai (cd, Brocoli)
De noise/postrockband Watermelon Club, het dub- en isolationistische ambientgerichte Micro:Mega, de broeierig filmische postrock van Arca, het experimentele On (met Steven Hess), het verstild experimentele Ensemble 0 en het gelegenheidsproject This Immortal Coil geven al aan hoe veelzijdig de in Brussel woonachtige Franse artiest Sylvain Chauveau is. Maar dat laat hij ook solo horen, tevens als gast, want ook hier varieert zijn output van neoklassiek, filmische muziek, post-rock en de meer experimentele muziek. Tussen alle bedrijven door, er komt zelfs nog het label I Will Play This Song Once Again bij, start hij in 2010 een drieluik dat start met Singular Forms (Sometimes Repeated), waar hij zijn inspiratie uit abstracte schilderijen haalt. Hij wil de popsong deconstrueren en met rudimentaire bouwstenen daar weer muziek van maken. Dat levert fraai verstilde experimentele muziek op. Dit krijgt in 2013 een vervolg met Kogetsudai, waar de Japanse rotstuinen, ook wel Zentuinen, als inspiratiebron dienen. De deconstruerende werkwijze blijft hetzelfde en hij maakt prachtige gelaagde patchworks van minimale elektronica, glitch, zachte drones, radiogeluiden, veldopnames, pianoflarden en zijn warme zangstem. Een soort muzikale haiku’s, met een wonderschoon, skeletachtig meesterwerk als resultaat. De voltooiing van het drieluik komt nu met Post-Everything. Hierop laat hij 10 nieuwe songs het licht zien, die wederom minimaal zijn maar wel het meest in de buurt komen van heuse songs. Dit maakt dit werk, mede door de nachtelijk romantische atmosfeer, ook het meest toegankelijk. Hij krijgt rugdekking van gastzangeressen Myriam Pruvot (Monteisola) en de altijd fijne Chantal Acda (Sleepingdog, Stasola, Chacda, Distance, Light & Sky, i-H8 Camera, True Bypass). Chauveau brengt zijn songs weer schetsmatig, maar de output is meer dan indrukwekkend. Neem alleen al de magistrale opener “Find What You Love And Let It Kill You”, die met ruim 12 minuten meer dan een derde van het album vult. Pulserende geluiden, glitches en sfeervolle sounds vormen samen met de prachtige zang een sensueel en bij de strot grijpend geheel. De toon is gezet en hoe. De overige stukken zijn wel een stuk korter, maar weten ook een diepe indruk te maken; zelfs een minuut kan al afdoende zijn, zo blijkt. Soms heeft enkel wat zachte noise, een akoestische gitaar en indringende herfstige zang al een enorme impact. Maar tevens maakt hij weer goed gebruik van stilte en ruimte, die de muziek haast een extra dimensie verschaft. Ook brengt hij een zinnenstrelende cover van “I Follow Rivers”. Het is “Down To The Bone”, maar nu echt tot op het bot. Een majestueus en overdonderend slot van deze trilogie.

 

Downtown Boys – Cost Of Living (cd, Sub Pop / Konkurrent)
Ik geniet er eigenlijk altijd wel van als bepaalde genres van weleer in het hier en nu opleven of misschien beter gezegd nooit weg zijn gegaan. Hoewel ik bij sommige oplevingen, hoe goed ook, vind dat de journalisten iets meer besef van de muziekgeschiedenis mogen hebben, want soms wordt iets als “vernieuwend” weggezet terwijl dit nergens op slaat. Neemt niet weg dat muziek met een goede boodschap gerust in een daarvoor passend jasje gebracht mag worden. Het Amerikaanse Downtown Boys is daar een uitstekend voorbeeld van. Het vijfkoppige collectief steekt hun politieke boodschap, waar veel woede en onbegrip in zit, namelijk ouderwets en terecht in puntige punkrock. Onder leiding van de brullende zangeres Victoria Ruiz, die in het Engels en Spaans van zich laat horen, knallen ze er op hun derde cd Cost Of Living op overtuigende wijze op los. De groep bestaat verder uit Norlan Olivo (drums, percussie), Joey La Neve DeFrancesco (gitaar, piano, synthesizer), Mary Regalado (bas) en Joe DeGeorge (saxofoon, synthesizer, orgel), waarbij Guy Picciotto (Fugazi) achter de opnameknoppen staat. Ondanks de bekende ingrediënten weten ze zich te onderscheiden door hun tomeloze energie, de dynamiek en de toch voor het genre origineel instrumentgebruik. Daarbij klinkt het gewoonweg ook verdomd lekker en zit het allemaal ijzersterk in elkaar. Alsof The Clash, Pissed Jeans, Minor Threat, Dog Faced Hermans, No Age, Babes In Toyland en Made Out Of Babies een duister verbond zijn aangegaan. Hun 12 nummers eindigen uiteraard al na een goede 34 minuten. (Mo)oi!

 

Paul Draper – Spooky Action (cd, Kscope / Bertus)
Hoewel hij ooit is begonnen in Grind, tegenwoordig deel uitmaakt van de supergroep Menace Beach en meewerkt in The Anchoress, zal de naam van de Britse zanger/gitarist Paul Draper toch vooral verbonden zijn met de Britse alternatieve popband Mansun. Deze heeft van 1995 tot 2003 geleefd en 4 albums uitgebracht, waarvan er één postuum in 2004. Draper’s sterke zang heeft een grote bijdrage geleverd aan het succes van de groep. Het is daarom maar goed dat hij besloten heeft zich op een solocarrière te gaan storten, hetgeen al is ingeluid met twee epees vorig jaar. Zijn solodebuut Spooky Action is nu een feit. Hierop werkt Draper (zang, gitaar, piano, keyboards, synthesizers) nauw samen met Catherine Anne Davies (piano, synthesizers) van The Anchoress en geluidstechnicus Paul “P-Dub” Walton en bieden nog wat gasten hulp op drums en strijkinstrumenten. Het levert 11 ijzersterke, gevarieerd gearrangeerde nummers op, die je wellicht als progrock kunt wegzetten. Alleen daar doe je de rijk gedetailleerde en afwisselende muziek eigenlijk mee te kort. Draper incorporeert namelijk ook funk, bluesrock en synthpop in zijn sound en pakt het daarbij uiterst dynamisch aan. Ondanks dat hij dikwijls zware thema’s aansnijdt weet hij het toch op frisse en open wijze te brengen. Ik hoor vooral zijn stempel terug in alles, al kruist hij soms best de paden van Pearl Jam, Masters Of Reality, Tears For Fears, Level 42, Prince, Joy Division en ook Mansun. De voornaamste conclusie is dat Draper een schitterend album aflevert en weer helemaal terug is.

 

The Duke Spirit – Sky Is Mine (cd, Ex Voto / Bertus)
Het Britse viertal The Duke Spirit wordt in 2003 opgericht, waarbij Luke Ford (gitaar, keyboards), Liela Moss (zang, harmonica, piano), Toby Butler (bas, gitaar, keyboard) de harde kern vormen en er nog altijd bij zijn. Het vierde lid wisselt nog wel eens en is op hun zesde album Sky Is Mine ingenomen door Oliver “Olly” Betts (drums, keyboards). Nu heb ik hun vorige album KIN van vorig jaar, dat volgde na een pauze van 5 jaar, bestempeld als hun allerbeste tot dan toe, maar hier trekken ze de stijgende lijn gewoon nog iets verder door. Ze laten op eigenzinnige wijze een net zo psychedelische als dromerige combinatie horen van de wave van het vroegere 4AD label, indie, shoegaze als spacerock. Daarbij mogen ze nog rekenen op steun van zangers Josh T. Pearson (Lift To Experience) en Duke Garwood. Meer dan ooit weten ze een mysterieuze gloed aan te brengen op hun toch al fraaie sound. En luister alleen maar eens naar “In Breath”, zo schandalig mooi. Maar ook de rest is van een ongelooflijk hoog niveau, hoogtepunt na hoogtepunt, waarbij ze ook nog zorgen voor variatie en diepgang. Negen ijzersterke songs op rij. Je moet daarbij denken aan een gedroomde combi van Opium Den, Cocteau Twins, Howling Bells, Stereolab, Bel Canto, Lisa Germano en Broadcast. Muziek die je even helemaal uit de realiteit haalt en je gedachten verzet. Daar waar ik zei dat hun vorige cd de beste was, wil ik nu deze inzetten. Stop de tijd.

 

EMA – Exile In The Outer Ring (cd, City Slang / Konkurrent)
De Amerikaanse zangeres/muzikante Erika M. Anderson timmert al ruim een decennium op interessante wijze aan de weg in muziekland. Ze maakt eerder namelijk deel uit van de experimentele indierock/noise band Gowns, de non-pop folkformatie Lonesome Whistle Blows, de experimentele rockband Amps For Christ en AWE en werkt daarnaast samen met de prettig gestoorde Italiaanse formatie Father Murphy. In 2010 komt ze met haar solodebuut Little Sketches On Tape, een cassette onder het alias Every Minor Arcana (ofwel met de initialen van haar naam). Haar (mini) doorbraak komt pas echt met haar albums Past Life Martyred Saints (2011) en The Future Void (2014). Ze ontwikkelt zich van een artieste die folk, lo-fi en shoegaze combineert tot één die daar op rauwe en soms abstracte wijze drones, rudimentaire gitaarsounds, industriële elementen en elektronica bij doet. Het levert telkens een intrigerend en goed doorwaadbaar geheel op, waarbij ze langs de randen van uiteenlopende genres scheert en de referenties uit diverse tijden opduiken. Het is soms wat grillig en daardoor wellicht niet altijd even eenvoudig, al is dat geen vereiste voor goede muziek. Toch heeft ze daaraan gesleuteld en laat ze op haar nieuwe werk Exile In The Outer Ring een wat consistenter geluid horen, dat overigens verre van gemakkelijk te noemen is. Ze maakt nog altijd combinaties van stijlen, maar belandt iets meer in de psychedelische rockhoek. Dat dikt ze aan met shoegaze, gothic en indierock. Ze brengt met haar teksten en muziek moderne protestsongs, waarbij religie, de werkende klasse, drug en vrouwenrechten de revue passeren. Haar sound zetelt ergens tussen Zola Jesus, Siouxsie & The Banshees, Torres, Planningtorock, Moonface, Nine Inch Nails en The Breeders. En daar is het prima toeven. IJzersterk album dat de deur openzet naar een mooie toekomst.

 

Gold Class – Drum (cd, Felte / Konkurrent)
Hofleverancier van de betere postpunk deze dagen is toch wel het Felte label. De ene na de andere geweldige act brengt er hun releases uit. Het Australische viertal Gold Class debuteert in 2015 met het fijne It’s You, waarop ze hun machtige mix van postpunk, wave en indierock ten gehore brengen. Tijdens het schrijven aan het tweede album loopt de relatie van zanger Adam Curley stuk en levert het zoals te verwachten veel materiaal op om over te schrijven. En dat past natuurlijk ook bij het soort muziek dat ze maken, hetgeen nu te horen is op Drum. Hij wordt hier weer bijgestaan door gitarist Evan James en bassist Jon Shub plus de nieuwe drummer Logan Gibson. De ene keer komen ze behoorlijk fel uit de hoek en op andere momenten scheppen ze meer bezinnende muziek waarbij het verdriet en de boosheid vaak voelbaar is en oprecht overkomt. Veel belangrijker is dat de muziek en zang zo geweldig zijn. Natuurlijk roept het associaties op met bands van weleer, maar er zit een zekere noodzaak achter zodat dit nooit een bezwaar vormt. Het klinkt namelijk als een hybride van The (Death) Cult, The Smiths, Danzig, Headless Chickens, Editors, In Camera en Modern English. Weer een fantastische groep met dat typische Felte keurmerk.

 

Gordi – Reservoir (cd, Jagjaguwar / Konkurrent)
Gordi is het alias van de Australische singer-songwriter Sophie Payten, die op jonge leeftijd muziek leert spelen op de ontstemde piano van haar moeder. Daarna volgt op 12-jarige leeftijd een simpele akoestische gitaar. Ze is inmiddels 24 -nog altijd piepjong- en presenteert haar volledige debuut Reservoir, die volgt op haar vorig jaar verschenen 12” Clever Disguise. Deze heeft ze in Amerika, IJsland en Australië geschreven en opgenomen. Zelf neemt ze een deel van de productie op zich en de rest laat ze over aan Tim Anderson (Solange, Banks, Halsey), Ben McCarthy, Ali Chant (Parfum Genius, PJ Harvey ) en Alex Somers (Sigur Ros). Ze brengt 11 melancholische songs, waarbij haar bitterzoete, dikwijls gelaagde zang het middelpunt vormt. Eenmaal mag ze ook rekenen op vocale hulp van S. Carey. De muzikale omlijsting bestaat naast piano en akoestische gitaar uit sfeervolle elektronica en strijkarrangementen. Haar muziek heeft enerzijds iets dromerigs en filmisch, maar staat aan de andere kant met beide benen stevig op de grond. Het houdt het midden tussen folk, folktronica, indiepop, downtempo en droompop. Ondanks dat alles fluweelzacht is, zijn de onderliggende diepe emoties voelbaar. Het is als een warme deken, maar wel één die prikt. Je kunt haar sound ergens tussen Ásgeir, Bon Iver, Imogen Heap, Sóley en Banks. Dat is wat je nu een waar droomdebuut noemt.

 

Gemma Humet – Encara (cd, Satélite K / Xango Music Distribution)
Gemma Humet is een Catalaanse zangeres, die na Si Enrere Canto (2015) nu met haar tweede album Encara presenteert. Ze beschikt over een helder, fijn vibrerende stem en opereert doorgaans in de popscene, zij het dat ze haar muziek onderdompelt in folk en jazz, die veelal niet meteen aan Spaanse muziek doet denken. Eigenlijk roept ze veeleer associaties op met de (Portugese) fado en de Sefardische muziek. Ze beschikt over een keur aan muzikanten die haar wonderschone zang prachtig inlijsten. In feite brengt ze protestsongs, maar die voorziet ze van een fluweelachtige huls waardoor de boodschap zacht gebracht wordt, maar keihard aankomt. Datzelfde geldt eigenlijk voor de emotionele kracht van al dit schoons. De nachtelijke atmosfeer brengt je daarbij naar de gemoedelijke Spaanse terrasjes, waar weemoed, bezinning en het genieten van het leven een machtige cocktail vormen. Denk aan een heerlijke blend van Mecano, Madredeus, Jaramar en Yasmin Levy. Een bloedmooi album met vele gezichten!

 

Iron & Wine – Beast Epic (cd, Sub Pop / Konkurrent)
De zachtmoedige roodbaard Samuel Beam brengt vanaf 2002 als Iron & Wine zijn emotioneel geladen en met altcountry overgoten singer-songwritermuziek naar buiten. Ik vind hem altijd het sterkst als hij het eenvoudig en ongepolijst houdt, zoals op zijn eerste twee werken. Maar ook erna weet hij altijd met zijn zachte stem en fluisterende gitaarspel indruk te maken. De laatste paar jaren heeft hij veelvuldig samengewerkt met andere artiesten, maar vier jaar na zijn laatste wapenfeit is zijn zesde soloalbum Beast Epic dan toch een feit geworden. Hierop keert hij qua sound weer terug naar zijn beginjaren, waardoor hij me sneller dan ooit weet te grijpen. Zijn prachtige, vertrouwde zang en gitaarspel wordt opgeleukt door gasten uit onder meer Califone, Broken Trap Ensemble, Boxhead Ensemble, Soul Coughing en Tin Hat Trio op drums, cello, banjo, viool, gitaar, mandoline, bas, keyboards, piano, orgel en pedal steel. Het levert 11 pure prachtsongs op die afwisselend en fraai gearrangeerd zijn. Zoals vaker snijdt hij niet bepaald de meest vrolijke onderwerpen aan, maar dat zorgt wel voor de nodige diepgang en urgentie van dit alles. Hij zit in feite ergens tussen Bonnie ‘Prince’ Billy, Paul Simon, Nick Drake en Peter Broderick in, al heeft hij met zijn eigenzinnige sound eigenlijk helemaal geen referentie nodig. Eén van zijn betere albums!

 

Adrian Lane – Playing With Ghosts (cd, Preserved Sound)
De Britse multi-instrumentalist Adrian Lane, in een vorig leven nog actief in de artrock/punkband Breakneck Static, is inmiddels al jaren op de meer neoklassieke toer. Op zijn drie vorige releases combineert hij dat met folk, ambient en drones. Het levert vrijwel altijd muziek op van een onaardse pracht, die je genadeloos weet te vloeren. Voor zijn vierde cd Playing With Ghosts, uitgebracht op het innovatieve Preserved Sound label in een oplage van 150 stuks, maakt hij gebruik van 100 jaar oude cilinderopnames, waarmee met een wasrol het geluid werd gefabriceerd; de voorloper van de lp. Hij breekt die geluiden in stukken en creëert er zijn eigen composities mee, die hij aanvult met piano, klokkenspel en sounds uit de laptop. Hij mag daarbij ook rekenen op steun van klarinettist Bryan Styles (Breakneck Static, Junkboy, Plantman), fluitist/saxofonist Mick Gawthorp en zangeressen Rei Sugawara en Debbie Lane. Er zit wellicht door het gebruik van de antieke muziek een zekere vintage sound en nostalgie in zijn muziek besloten, maar wel één die weer wonderschoon is. Hij brengt maar liefst 16 overrompelende, filmische en tot de verbeelding sprekende stukken die na een goede 53 minuten finishen. Deze houden het midden tussen neoklassiek, ambient, jazz en lichte experimenten. Hoewel hij zijn eigen sound in huis heeft moet je denken aan een mooie mix van Erik Satie, Dictaphone, Glacis, Daniel Figgis en Nouvelles Lectures Cosmopolites. Een bij de strot grijpende prachtplaat!

 

Briana Marela – Call It Love (cd, Jagjaguwar / Konkurrent)
Als artiest heb je inspiratie nodig om een goed album te maken. Dat kan van alles zijn. Bij de Amerikaanse Briana Marela zijn dat esoterische zaken, zoals de Maya kalender op haar vorige tweede cd All Around Us (2015), of gewoonweg zaken uit haar persoonlijke leven. Nadat haar relatie op de klippen is gelopen vindt ze weer genoeg inspiratie om haar derde album Call It Love te schrijven, hetgeen je wel vaker hoort. De titels hierop vermoeden dat het niet gaat om wrok of iets dergelijks, maar meer een analyse van hetgeen nu voorbij is. De teksten zijn door haar prachtig mysterieuze en etherische zang, dikwijls met vocoder, niet altijd even goed te verstaan, dus wellicht zit ik ernaast. Maar ook door de muziek schemert naast enige droefgeestigheid tevens hoop. Ze wordt hierbij geholpen door leden van Small Black, die haar creaties fraai inkleuren. En aan creativiteit geen gebrek, want ze brengt een innovatieve en gevarieerde mix van experimentele pop, synth-pop en indierock. Daarbij nestelt ze zich ergens tussen Susanne Sundfør, Jenny Hval, Blue Hawaii, Braids en Julia Holter. Andermaal weet Marela te betoveren en overtuigen.

 

James Vincent McMorrow – True Care (cd, AllPoints)
Hoewel het op een gegeven moment wel mode leek om als mannelijke artiest met een falsetstem te zingen, weet de Ierse singer-songwriter James Vincent McMorrow zich wel degelijk te onderscheiden van artiesten als Patrick Watson, Bon Iver, Antony (& The Johnsons), James Blake en Iron & Wine. Zijn muziek schuurt wel tegen die van hen aan, maar hij weet met zijn bijzondere combinatie van folk, indie, songwritermuziek, altcountry, dubstep, elektronica en soul iets eigens neer te zetten. Dat is wederom het geval op zijn vierde worp True Care. Hij brengt 15 nieuwe nummers, die voor bijna 48 minuten aan muzikaal plezier zorgen. Hij blijft in de eerste plaats een singer-songwriter, maar de soul en r&b maken al van nature deel uit van zijn muziek. Het lijkt een ongewone combi, zij het dat hij als een meesterlijke lasser aaneen weet te smeden. Het is een feest van oud en nieuw tegelijkertijd, waarbij ook artiesten als Daft Punk en Prince van de partij zijn. McMorrow blijft verrassen en dat is een groot goed. Zeker als het materiaal zo sterk is. Een heerlijk biologerend en gevarieerd album.

 

Amy O – Elastic (cd, Winspear / Konkurrent)
De Amerikaanse singer-songwriter Amy O, waarbij de O voor haar achternaam Oelsner staat, maakt al een goede 5 jaar muziek. Het merendeel brengt ze digitaal uit, waarbij de teller tot nu toe op zes staat. Toch heeft ze haar weg naar de cd gevonden met haar zevende album Elastic, al kun je deze ook digitaal en op cassette en vinyl krijgen. In krap een half uur brengt ze 12 ongepolijste songs, die ergens tussen lo-fi en alternatieve rock uitkomen en dikwijls een psychedelisch randje hebben. Dat benadert ze met een lichte punkattitude, waardoor de spontaniteit er vanaf spat. Ze beschikt over een zeer eigenzinnige felle sound en haar bitterzoete zang is behoorlijk pakkend. Het heeft iets puurs en is uiterst sympathiek, waardoor ze je meteen weet in te pakken. Bevriende artiesten als bassiste/zangeres Madeline Robinson, drummer Justin Vollmar, gitarist Damion Schiralli, toetsenist/zanger Aaron Denton, bassist Will Staler en zangeres Erin Tobey helpen haar graag om de muziek op ludieke wijze in te kleuren. Hierbij moet je denken aan een dynamische en bovenal originele mengelmoes van That Dog, Deerhoof, Aldous Harding, Magnog, Hail, Girlpool en de Pixies. Een album dat heerlijk ontwapend en gewoonweg steengoed is.

 

Papir – V (2cd, Stickman Records / Konkurrent)
Papir is een jong Deens rocktrio, dat sinds 2010 hun releases het licht laten zien. En hun creativiteit steken ze duidelijk niet in hun (album)titels, maar in hun muziek. Op al hun albums creëren ze langgerekte tracks vol psychedelische rock die een geweldige opbouw kennen. Hoewel het dikwijls sober is, mist het de uitwerking nooit. De groep bestaat “slechts” uit gitarist Nicklas Sørensen, bassist Christian Becher Clausen en drummer Christoffer Brøchmann. Daarbij draait de muziek eigenlijk op het virtuoze, complexe drumspel van die laatste. Ze hebben hun vijfde album V nu uitgebracht, een dubbel cd, met “maar” 7 tracks. Hierbij is echter de kortste 9 minuten en de langste 25, waardoor je zo’n 95 minuten aan muziek te verstouwen krijgt. Op fraaie wijze variëren ze met bezinnende, psychedelische, experimentele en overdonderend harde stukken. Het lijken stuk voor stuk verhalen, die door het geweldige spel en afwisseling je volledig in hun greep houden. Het psychedelische aspect voert wel de boventoon, maar ook krautrock, math rock, progrock, space rock en experimentele rock sijpelen door hun sound. Als het maar rockt! Ze leggen een innovatieve, mooie deken over de luisteraar, waar je niet snel meer onder vandaag wilt komen. Terecht dat ze voor deze hoogstandjes producer John McEntire (Tortoise, Gastr Del Sol, Bastro, The Sea And The Cake) in de arm hebben genomen. Papir beschikt over visie en weet dat te vertalen naar sublieme muziek.

 

Jens Pauly – r/f (cd, Karlrecords)
Er zijn legio voorbeelden van artiesten die via black metal uiteindelijk bij drones en ambient of andere meer rustiger genres zijn uitgekomen, maar de Keulse gitarist Jens Pauly heeft meerdere wegen bewandeld alvorens hij verstilde muziek is gaan maken. Zo heeft hij er projecten en groepen als Ghostrider, Temple Of The Beeheads, Sex Temple, Kurushimu en Ultha op nagehouden waarmee hij zowel abstracte elektronica, ambient en drones als krautrock, grindcore, hardcore en black metal achter zijn naam mag schrijven. Voor zijn tot 99 exemplaren gelimiteerde cd r/f (remember/forget) laat hij zijn liefde voor ambient, minimalistische sounds en drones meer naar voren komen. Met enkel zijn gitaar en diverse effecten schept hij hier 5 tot de verbeelding sprekende tracks, die ergens tussen drones, ambient, neoklassiek en abstracte muziek landen. Het gaat over het geheugen, de vergetelheid, de kloof tussen deze twee en de constructie van geheugen als zodanig. Als je de muziek hoort geloof je haast niet dat de bron enkel uit een gitaar bestaat, maar toch is dat precies wat Pauly doet. Hij schetst skeletachtige composities, die ingevuld worden door de diverse elektronische effecten. Op haast filmische wijze weet hij je in de houdgreep te nemen, om pas aan het eind weer los te laten. Ik moet daarbij denken aan een kruisbestuiving van Oren Ambarchi, Tim Hecker, Norn, Haarvöl, Orphax, Labradford en Stars Of The Lid. Eenvoud omgesmeed tot imponerende pracht, die je niet snel zult vergeten.

 

Planning For Burial – Matawan: Collected Works 2010-2014 (2cd, The Flenser / Konkurrent)
Eerder dit jaar komt de Amerikaan Thom Wasluck met zijn derde album sinds 2010 als Planning For Burial. Hij weet hierop zoals altijd kracht en pracht op intieme wijze te bundelen en laveert daarbij door genres als post-metal, shoegaze, postrock, slowcore, doom, ambient en experimentele muziek. Dat is niet alleen origineel, maar ook van een bij de strot grijpende pracht, waarbij hij vooral de verveling van het alledaagse leven van zich af probeert te spelen. Nu is hij terug met de dubbel-cd Matawan: Collected Works 2010-2014, inderdaad een compilatie van ouder werk dat hij in zijn toenmalige thuisstudio heeft opgenomen. Het omvat twee niet eerder uitgegeven albums en werken die op zijn vele mini’s terecht zijn gekomen. Sommige daarvan zijn demo’s, maar die doen bepaald niet onder voor de rest van zijn werk. Hij maakt ook hier een fraaie las van diverse genres, waar de melancholie er werkelijk vanaf druipt. Het is een fractie introverter en zeker op de tweede schijf meer ambient dan zijn latere muziek, al hoewel hij ook behoorlijk hard uit de hoek kan komen, maar oh wat is dit weer genieten. Fans van de groep, maar ook die van van Labradford, Jesu, Have A Nice Life, Wreck And Reference, Red House Painters, 40 Watt Sun en Boduf Songs doen er goed aan deze eens tot zich te nemen. Een goede 1 uur en 45 minuten verder besef je weer met wat voor unicum je te maken hebt.

 

Graham Reynolds – A Scanner Darkly (cd, Fire / Konkurrent)
De Amerikaanse componist Graham Reynolds maakt muziek voor dans, film, theater, rock clubs en concertzalen. De ene keer is dat meer klassiek of jazz getint en op andere momenten juist meer improvisatorisch. Hij houdt er tevens de groepen Golden Arm Trio en Golden Hornet Project op na en heeft samengewerkt met onder meer DJ Spooky, Jack Black, Austin Symphony Orechestra en Ballet Austin. Een zeer veelzijdige componist derhalve. In 2006 maakt hij de soundtrack voor de film A Scanner Darkly van Richard Linklater, een verfilming van de gelijknamige sci-fi roman van Philip K. Dick. Om de eigenzinnige film te ondersteunen, is een brede en niet alledaagse soundtrack het beste en daar blijkt Reynolds de meest geschikte kandidaat voor te zijn. Hij brengt hier 20 tracks waarbij hij je klassiek, illbient, jazz, surf, altcountry, postrock, klassieke rock, ambient, avant-garde en leftfield elektronica voorzet. Op vernuftige wijze weet hij hier samen met de leden van Golden Arm Trio toch een samenhangend geheel van te maken, door de sfeer maar vooral ook doordat er een soort verhaallijn in zijn muziek lijkt te zitten. Een muzikale film in een film. Bijzonder mooi en knap. De cd krijgt nog twee extra toetjes, te weten een mix van Jack Dangers en een track van DJ Spooky. Een parel in de buitencategorie. De cd is vermoedelijk heruitgegeven omdat het album nu ook voor het eerst op lp is verschenen.

 

Rolling Blackouts Coastal Fever – Talk Tight (mcd, Sub Pop / Konkurrent)
Eerder dit jaar maakt ik voor het eerst kennis met de Australische groep Rolling Blackouts Coastal Fever middels hun tweede mini The French Press. En dat is een zeer aangename kennismaking, want het vijftal Tom Russo (gitaar, zang), Fran Keaney (akoestische gitaar, zang), Joe White (gitaar, keyboards, zang), Marcel Tussie (drums) en Joe Russo (bas) brengen een onweerstaanbaar rockgeluid. Het doet wel wat denken aan de betere rockbandjes uit de jaren 80 en 90, zij het dat ze alles in een fris punkjasje steken. In 2015 staat er nog geen Coastal Fever of C.F. achter hun naam, maar dat wijzigen ze als ze erachter komen dat er in Engeland een groep met dezelfde naam bestaat. In dat jaar verschijnt hun debuut epee Talk Tight, die nu ook voor de rest van de wereld uitgebracht wordt. En dat is maar goed ook, want ook hierop is te horen wat voor een heerlijk pakkende, speelse en stekelige sound deze band in huis heeft. In een klein half uur passeren zeven sterke nummers de revue. Geweldige band, die volgend jaar eindelijk huneerste langspeler uitbrengen. Daar zal menigeen nu al reikhalzend naar uitkijken.

 

Joseph Shabason – Aytche (cd, Western Vinyl / Konkurrent)
De Canadese saxofonist/fluitist Joseph Shabason, die tevens synthesizers en samples brengt, maakt deel uit van de groep Diana en is al jaren een graag geziene gast bij onder meer The Pink Noise, The War On Drugs, Destroyer, Jill Barber, Sportsfan en Dragonette. Hij komt nu eindelijk eens met het eigen album Aytche, waarop hij mag rekenen op gasten die bijdragen leveren op bas, trompet, drums, percussie en gitaar. Hij smeed eigenzinnige en bovenal innovatieve lassen tussen nu-jazz, ambient, minimal music en allerhande experimenten. Dat pakt dikwijls verstild en sfeervol uit, maar kan soms ook de venijnige en haast kakofonische kant opgaan. Shabason weet als geen ander hoe je sfeer, schoonheid en avontuur aan elkaar moet koppelen. Hierdoor blijf je verankerd aan je boxen. Ter referentie moet je denken aan een kruisbestuiving van Nils Petter Molvær, Arve Henriksen, Colin Stetson, Jon Hassell, John Coltrane, Brian Eno en Justin Walter. Een groots en meeslepend werk van een bijzondere artiest, waar we vast nog veel meer gaan horen in de toekomst.

 

Matteo Uggeri – Grandpa (cd, Fluid Audio)
Eerder dit jaar brengt de Italiaanse componist en visueel designer Matteo Uggeri samen met Enrico Coniglio het prachtalbum Open To The Sea uit. Nu is hij alweer terug met de nieuwe cd Grandpa. Uggeri is al jaren actief in verschillende projecten, zoals Der Einzige, Meerkat, Norm, Sparkle In Grey, Hue, Normality / Edge en Barnacles en in samenwerking met onder andere Bob Corn, My Dear Killer, Controlled Bleeding, Deison, Marizo Abate, Tex La Homa, De Fabriek, Ether, If Bwana en Telepherique. Hij brengt veelal experimentele ambientmuziek vol veldopnames uit, dikwijls in samenwerking met anderen. Hij onderscheidt zich doordat hij persoonlijke belevingen als bron van zijn muziek gebruikt. Hierdoor gaat er altijd wel iets intiems vanuit. Ook bij dit album is dat het geval. Hij vindt een tape waarop zijn opa hem als 2,5 jarig kind een soort interview afneemt. De geluiden van deze tape komen terug in één langgerekt stuk van goed 33 minuten. Flarden van zijn opa en zijn peuterstemmetje klinken door de melancholische ambient. Hoe deze precies tot stand komt wordt niet prijsgegeven, maar Uggeri brengt naast elektronica vaak ook vele instrumenten die hij omsmelt tot ambient. Het levert een diepgravend en wonderschoon geheel op, dat associaties oproept met Celer, Olan Mill, Rafael Anton Irisarri, Brian Eno en Thomas Köner. Een fraai persoonlijk document, dat zoals alle Fluid Audio releases fraai verpakt en uiterst gelimiteerd is.

 

UNKLE – The Road: Part 1 (cd, Songs For The Def / Bertus)
In de jaren 90 richt James Lavelle het Mo’Wax label op, waar menig sample/soul/trip & hip hop artiest onderdak vindt. Zo ook DJ Shadow, waarmee hij in 1994 al UNKLE (never mind de schrijfwijze) opstart. Na het geweldige debuut Psyence Fiction (1998) vol downtempo, trip hop, waarop al veel gasten (onder meer Thom Yorke) te horen zijn, vertrekt DJ Shadow. UNKLE wordt vooral het soloproject van Lavelle, waarbij hij steeds een ander blik gasten open kan trekken. De 3 albums erna, die overigens allen verschillen van elkaar, zijn meer rockgeoriënteerd waarbij leden van Queen Of The Stoneage nog wel eens een moppie meespelen. Op zijn laatste studioalbum Where The Night Ends (2010) gaat Lavelle weer meer de elektronische kant op. Het is een mix van psychedelica, trip-hop, dark dance, soul en alternatieve pop met mooie orkestraties en aanstekelijke beats. Hij blijft verrassen, ook door afwezigheid. Hij maakt weliswaar veel filmmuziek, maar zijn UNKLE project staat even in de koelkast. Na zeven jaar is hij eindelijk terug met The Road: Part1. Hierop grijpt hij deels terug op de beginjaren, met die Mo’Wax vibe, maar het leeuwendeel is sfeervoller, dromeriger en meer melancholisch dan voorheen. Hoewel, in een aantal tracks gaat het tempo flink omhoog en gooit hij meteen hoge ogen met meer intrigerende muziek die wel richting Zan Lyons en Ticky koerst. Iets om in de toekomst verder uit te diepen wellicht? Hij wordt hier geruggensteund door onder meer Primal Scream gitarist Andrew Innes, The Duke Spirit zangeres Liela Moss (zwaai maar even naar boven), Planet Funk leden, Mark Lanegan (inmiddels record gastmuzikant volgens mij) en nog wat rappers en zangers. Het is wederom een geweldig album geworden, waarbij je het gevoel hebt dat UNKLE nog veel meer te bieden heeft. We zullen zien welke weg Lavelle gaat bewandelen. Dit is in elk geval een aanrader.

 

Vlimmer & Thanatoloop (cd-r, Vlimmer & Thanatoloop)
De Duitse muzikale duizendpoot en über-actieve Alexander Leonat Donat Stöckigt, ook wel kortweg Leonat Donat geheten, is zichzelf als Vlimmer een ambitieus project van 18 epees aangegaan. Daarvan zijn er nu al 7 verschenen. Hij heeft een muzikale erfenis hoog te houden, want hij is de zoon en kleinzoon van respectievelijk de Duitse pianisten/componisten Michael Stöckigt en Siegfried Stöckigt. Daarnaast runt hij het innovatieve label Blackjack Illuminist. Deze vult hij vooral met zijn diverse projecten, enkele uitzonderingen daargelaten. Dit doet hij onder namen als Feverdreamt, Fir Cone Children, Flight Recorder, Infravoids en Jet Pilot, Leonard Las Vegas, die naast zijn Vlimmer project ook tussendoor releases het licht laten zien. Maar als je creativiteit kriebelt moet je het uitweg bieden. Donat doet dat steeds met verve en niet in de laatste plaats met Vlimmer. Hij vindt tussentijds namelijk ook nog ruimte om met Oceaneer en nu met het Chileense experimentele project Thanatoloop van Michel Leroy muziek te maken. In ruim een half uur brengen ze 6 tracks die ergens tussen avant-garde, gothic, wave en elektro eindigen. Denk daarbij aan een verfijnde hybride van Schonwald, Trisomie 21, Diamanda Galas, Von Magnet en Siglo XX. Vlimmer maakt de status van de nieuwe interessante muzikale orde meer dan waar. L’histoire se répète, maar dan op een wel heel positieve wijze!

 

Widowspeak – Expect The Best (cd, Captured Tracks / Konkurrent)
De Amerikaanse groep Widowspeak heeft als harde kern zangeres/gitariste Molly Hamilton en gitarist Robert Earl Thomas III, waarbij altijd wel wat gasten op hun releases meedoen op uiteenlopende instrumenten. Ook live reizen er dikwijls een bassist en drummer mee. Het sterkste wapen is denk ik toch die zoetgevooisde narcotiserende zang van Hamilton, die als een drug door je lijf gaat. Maar ook de sfeervolle muziek mag er wezen, waarbij ze droompop, shoegaze, lounge, indie rock en folk rock de revue laten passeren. Ook op hun vierde album Expect The Best heb je aan één shot van Hamilton’s zang weer genoeg om betoverd te raken. Dat dompelen ze onder in een nachtelijk, zomerzwoel melancholisch geluid, dat net als op hun vorige werken breed om zich heen grijpt. Maar door de sfeer smeden ze daar wel één coherent geheel van. Het klinkt haast alsof Mazzy Star, Donna Regina, Cat Power, Still Corners, Elysian Fields, Seapony en Blouse een gedroomde joint venture zijn aangegaan. Dat klinkt wellicht te mooi om waar te zijn, maar geloof me “expect the best”.

 

Various Artists: Abatwa (The Pygmy) – Why Did We Stop Growing Tall? (cd, Glitterbeat / Xango Music Distribution)
“Hidden Music” is een imposante serie aan het worden op het Glitterbeat label. Hierin verschijnen “bedreigde” of “niet eerder gehoorde” muziek uit allerlei delen van de wereld. Eerder zijn al de fraaie compilaties Hanoi Masters – War Is A Wound, Peace Is A Scar (2015), Every Song Has Its End: Sonic Dispatches from Traditional Mali (2015) en Khmer Rouge Survivors: “They Will Kill You, If You Cry” (2016) verschenen. Deel vier is er nu en heet Abatwa (The Pygmy) – Why Did We Stop Growing Tall?. Hierop is muziek van de pygmeeën verzameld en dan met name van die rond de grenzen van Rwanda. Ze leven redelijk primitief en worden bedreigd, mede doordat hun leefgebied in de loop der jaren ingeperkt is, onder meer ter bescherming van de berggorilla. Ze worden tevens door de Bantoes geminacht en als primitief en minderwaardig beschouwd, maar anderzijds ook bewonderd door hun moed. Ondanks hun tamelijk primitieve materiële cultuur zijn de pygmeeën zeer muzikaal; zij hebben in hun gezangen een zekere mate van polyfonie ontwikkeld. Een deel is op deze compilatie gevangen. Het is muziek met bijzondere zang en instrumenten als één-snarige violen, traditionele harpen en percussie-instrumenten. Muziek waarvan ik nog nooit gehoord heb, maar dat is dan ook meteen het doel van deze verzameling van 12 nummers. Je stapt binnen in een wonderlijke en bovenal rijke muzikale wereld die diepe indruk weet te maken. Een geweldige ontdekkingstocht!



 

Martijn

Leprous Malina
Het Noorse Leprous consolideert hun positie als the freshest in de prog metal. Een unieke sound, complex maar toegankelijk, met de prachtige vocalen van Einar Solberg als stralend middelpunt. Op Malina worden regelmatig strijkers ingezet en dat is mooi maar eigenlijk vind ik nummers zonder, zoals opener Bonneville, al perfect.

Sean Price Imperius Rex
Sean was alweer bezig aan dit album toen zijn vorige posthume album (Songs In The Key Of Price nog moest verschijnen, zo leuk vond hij rappen. Het is dan ook weer een uitstekend album geworden en zeker geen gemakzuchtige cash grab. Lekker chunky hip hop weer waar iedere liefhebber blij van zal worden (en een beetje verdrietig omdat hij niet meer onder ons is).

Insane Poetry The Snuff Reels Director’s Cut: The Birth of Richard Hansen
Het vorige album (Cyco The Snuff Reels, 2008) van de horrorrapper was een metalcrossover en al waren er vooral qua geluid verbeteringen denkbaar vond ik die erg goed. Dit nieuwe album is weer „gewoon” hip hop en de teksten zijn minder politiek en meer horror. Hij is helemaal geadopteerd door de „juggalo”-scene en het lijkt of er wat de vrouwonvriendelijkheid uit die scene Insane Poetry’s muziek is binnengesijpeld, de beats namelijk wel vet en zijn flow blijft goed.