Het schaduwkabinet: week 16 – 2017

De stemming zat er weer goed in met Pasen, vooral in Turkije. Wij kiezen eieren voor ons geld en houden het gewoon maar bij onze lijstjes uit het:

SCHADUWKABINET

We luisterden naar: Chantal Acda, Agitated Radio Pilot, Gabriella Cohen, Ed Wood Jr, Ensemble Economique, The Jesus And Mary Chain, Maria Kalaniemi & Eero Grundström, Kreidler, Non Band, Sodastream, Ulver (3x), Venn, Zea, Ulver, Freddie Gibbs, Geechi Suede en Kendrick Lamar.

 


 

Jan Willem

Chantal Acda – Bounce Back (cd, Glitterhouse)
Ik volg de Nederlandse muzikante Chantal Acda nu al zo’n 15 jaar op de spreekwoordelijke voet. In eerste instantie is dat nog met haar innemende project Chacda, al start ze ervoor al in Stasola. Later komen daar ook de geweldige groepen Sleepingdog (met Adam Wiltzie van Stars Of The Lid en A Winged Victory For The Sullen), True Bypass (met Craig Ward), i-H8 Camera, Distance Light & Skies (met Chris Eckman & Eric Thielemans), COHO LIPS (met Arne Van Petegem van Styrofoam en Tin Foil Star), Isbells en Marble Sounds bij. Het levert een imponerende en vooral heel mooi discografie op. Maar wat ze ook doet, haar bitterzoete, fluweelzachte, emotioneel geladen en soms vibrerende stem vervult een glansrijke hoofdrol in dit alles. Vanaf 2013 laat ze ook solo van zich horen, naast al haar bezigheden. Het levert de twee prachtalbums Let Your Hands be My Guide (2013) en The Sparkle In Our Flaws (2015), waarbij ze mag rekenen op een ware erelijst aan gastmuzikanten. Nu is ze, even los van de live platen, terug met haar derde album Bounce Back. Acda (zang, akoestische en elektrische gitaar, piano) wordt hier geruggensteund door 9 gastmuzikanten, waaronder Shahzad Ismaily, Bill Frisell en Eric Thielemans, op moog, bas, drums, percussie, gitaar, eufonium, bugel, viool en bouzouki. Haar stem, die klinkt als de perfecte legering van Mimi Parker (Low), Lou Rhodes (Lamb), Suzanne Vega en Hope Sandoval (Mazzy Star), vormt het prachtige centrum van dit alles. Ik ben ervan overtuigd dat als ze ingrediënten van een mueslireep zingt, het nog fantastisch klinkt. Echter is het hier een ode aan connectie, contact en contemplatie geworden en heeft alles een enorme diepgang en emotionele lading meegekregen. De muzikale omlijsting is ondanks de gastenlijst vrij sober maar zeer doeltreffend en stemmig. Singer-songwritermuziek met een injectie postrock, pop en folk zijn genoeg om je bij de keel te grijpen. Liefhebbers van Low, Mazzy Star, The White Birch, Lamb, Glissando, Natalie Merchant en Sleepingdog doen er goed aan deze volslagen unieke breekbare beauty eens tot zich te nemen. Wat een feeërieke pracht!

 

Agitated Radio Pilot – The Bridesmaid & The Partial Eclipse (cd, Reverb Worship)
David Colohan is een Ierse singer-songwriter, die te horen is in de groepen Raising Holy Sparks, United Bible Studies, Taskerlands, Look To The North, Divil A’Bit en Meitheal en samenwerkt met Richard Moult en Robin Parmar. Daarnaast leidt hij sinds 1993 het folkgerichte project Agitated Radio Pilot, dat zich middels kleine labels een weg naar de oppervlakte weet te boren waaraan door de jaren heen ook Richard Moult, Autumn Grief, Richard Skelton en Sharron Kraus hebben meegewerkt. Bepaald geen muziek voor de massa, al is het geluid zeker niet ontoegankelijk. Hij heeft hiermee legio releases het licht laten zien, die avontuurlijke fans van Timesbold, Palace Brothers, Sodastream, United Bilble Studies en Britfolk helden van weleer best aan zullen spreken. Dat geldt zeker voor zijn sublieme album The Bridesmaid & The Partial Eclipse, dat in eerste instantie enkel als digitale release in 2011 uitgegeven wordt. Maar het voortreffelijke Reverb Worship heeft, net als het varken een perfecte neus om de truffels uit de ondergrond naar boven te halen, een neus voor dit soort muziek. Vandaar dat ze deze release ook op cd het licht laten zien. De 7 songs van samen bijna een half uur lang laten een perfecte mix horen van lo-fi, folk en experimentele muziek. Colohan (zang, draailier, banjo, autoharp, gitaren, melodica, mandoloncello, mandoline) wordt hierbij vergezeld door gasten op (vrouwelijke) zang (onder meer van The Driftwood Manor), drums, percussie, contrabas, gitaar en accordeon. Het levert een prettig amalgaam van de genoemde stijlen en artiesten op. Muziek van een tijdloze, contemplatieve pracht.

 

Gabriella Cohen – Full Closure And No Details (cd, Captured Tracks / Konkurrent)
De Australische zangeres Gabriella Cohen heeft eerder gespeeld in de rockgroep The Furrs, waar ik overigens niets van ken. Haar debuutalbum Full Closure And No Details brengt ze al in 2015 uit in eigen land, maar daar zal je tenzij je een gigantische The Furrs fan bent niets van hebben vernomen. Gelukkig wordt deze nu ook hier uitgebracht, want de muziek is namelijk zeer de moeite waard. Zelf noemt ze een ceremonie om op reflecterende wijze naar een relatie te kijken; die van haar is dan net stukgelopen. Cohen (zang, piano, gitaar, drums, productie) wordt hier bijgestaan door Kate Dillon (gitaar, computer, viool, zang, productie), Marcus Warren (bas) en Tom Carrol (trompet). De tien songs die na ruim 40 minuten finishen zijn met 2 microfoons in slechts 10 dagen opgenomen. Dat vertaalt zich in een prettig rauwe lo-fi sound, die soms rechtstreeks uit de jaren 60 afkomstig lijkt. Naast die wat hardere is er ook een dromerige en zeer gevoelige kant van haar te horen. Daarbij beschikt ze over een heerlijk pakkende stem. Het zijn fraaie liedjes geworden, die een soort dwarsdoorsnede vormen van The Velvet Underground & Nico, Mazzy Star, Shannon Wright en The Ronettes. En dan kan dit in korte tijd opgenomen plaatje wel eens voor een hele lange tijd plezier gaan zorgen.

 

Ed Wood Jr – The Home Electrical (cd, Black Basset Records/ Tourne Disque/ Araki / Five Roses Press)
Voor de betere mathrock, emocore en zelfs krautrock kan je tegenwoordig het beste uitwijken naar Frankrijk. Daar lijken nog altijd de meest avontuurlijke bands te ontstaan. Het uit Lille afkomstige duo Ed Wood Jr heb ik in 2011 al eens een band om in de smiezen te houden genoemd. Nu blijft het erg lang stil en valt er niet veel om in de gaten te houden, maar gelukkig zijn ze terug met hun album The Home Electrical, hun derde in 7 jaar tijd. Dit duo bestaat tegenwoordig uit zanger/gitarist Olivier Desmulliez en de nieuwe drummer Jason Van Gulick (Inward Access, Submerge). Ze larderen hun muziek met fijne elektronica en tevens is er met enige regelmaat een gastzangeres te horen. In ruim een half uur brengen ze een bijzondere mix aan de genoemde stijlen, die zowel zorgen voor opzwepende als emotioneel geladen momenten. Het merendeel is redelijk doorwaadbaar, zij het dat ze een complex en gelaagd geluid aan de dag leggen. Je moet her ergens zoeken tussen Don Caballero, Battles, Trans Am, Hint, Electric Electric, Unwound en Chevreuil. Dit is toch weer heerlijke muziek van de buitencategorie.

Luister Online:
The Home Electrical

 

Ensemble Economique – In Silhouette (cd, Denovali)
RV Paintings, Starving Weirdos, Naked Island en tevens Ensemble Economique delen allen de veelzijdige Amerikaanse muzikant Brian Pyle. Met het laatst genoemde project laat hij sinds 2008 met enige regelmaat van zich horen via cd’s, cassettes, lp’s en digitale releases. In eerste instantie is dat een eigengereide mix van abstracte elektronica, drones en en allerhande experimenten, maar daarna koerst hij meer richting de ambient en passeren ook synthpop, progrock, shoegaze, experimentele muziek en wave de revue. Hij werkt onder meer samen met Soft Metals, Peter Broderick en J Moon. Als ik goed tel is de nieuwe cd In Silhouette alweer zijn twaalfde album in deze incarnatie. Hoe dan ook presenteert hij hier 5 nieuwe creaties met een totale lengte van bijna drie kwartier. Deze landen tussen elektro-akoestische muziek, drones, neoklassiek, noise, psychedelica en ambient. Op uiterst biologerende wijze weet hij je in de houdgreep te nemen met zijn haast onaardse composities, die weer zo anders zijn dan hetgeen hij eerder heeft laten horen. Hij houdt hier het fraaie, filmische midden tussen Ben Frost, John Lemke, Popol Vuh, Faust en Okada. En dat is van een adembenemende schoonheid!

 

The Jesus And Mary Chain – Damage And Joy (cd, Artificial Plastic)
De in 1983 opgerichte -mag ik wel zeggen- legendarische Schotse groep The Jesus And Mary Chain levert tot het uiteengaan in 1999 zes prachtalbums op. De groep rond de gebroeders Jim en William Reid nemen een eigen positie in tussen de noise, alternatieve rock, shoegaze, psychedelische rock en indierock. Een soort ongeboren kind van The Velvet Underground, Happy Mondays, Pixies en My Bloody Valentine, maar dan toch anders. Na alle reünies van bands van weleer is de terugkeer van deze band na 19 jaar met hun zevende cd Damage And Joy toch eigenlijk behoorlijk sensationeel. Het is nu niet dat ze een geluid produceren waarmee je meteen van je stoel tuimelt, maar het sluit wel weer aan op hun beste jaren en dat is een groot goed. Waarom? Omdat muziek als deze gewoonweg niet meer, of in elk geval niet zo goed gemaakt wordt. De broers wonen aan twee kanten van de oceaan, de één in Schotland en de ander in de VS, maar ze hebben 14 nieuwe nummers weten te fabriceren. Daarbij krijgen ze vocale ondersteuning van Bernedette Denning, Isobel Campbell (Belle & Sebastian, The Gentle Waves) en Linda Fox, hetgeen net zo’n fraaie toevoeging geeft als Hope Sandoval destijds. Het voelt als thuiskomen nadat je jaren weg bent geweest. En dat is een heerlijk gevoel. Zeker als de muziek nog klinkt zoals het hoort.

 

Maria Kalaniemi & Eero Grundström – Svalan (cd, Äkerö / Xango Music Distribution)
Al bijna drie decennia lang geldt de Finse Maria Kalaniemi als een autoriteit op de accordeon en beschikt verder over een prachtige stem. Ze heeft in de pionierende groepen Niekku en Aldargaz gezeten, maar ook Accordion Tribe, Olli Ahvenlahden Orkesteri, Tango-orkesteri Unto, Tero Vaaran Maatakiertävä Uusi Viihdeorkesteri, Värttinä en haar eigen Maria Kalaniemi Trio staan op haar imdrukwekkende Curriculum Vitae. Ook solo maakt deze virtuoos menig album, al dan niet in samenwerking met artiesten als Sven Ahlbäck, Marianne Maans en Timo Alakotila. Van folk tot klassiek en experimentele muziek, ze beheerst het allemaal. Nu werkt ze op het nieuwe album Svalan, wat “zwaluw” betekent, met de Finse harmoniumspeler Eero Grundström, die groepen als Sväng, Suistamon Sähkö, Aija Puurtinen & Rytmiraide Allstars, Juuri & Juuri en Spontaani Vire achter zijn naam heeft staan. Hij opereert veelal in de folkhoek. Daar landen ook de meeste songs van hun gezamenlijke album. De hoofdmoot bestaat uit prachtige zang, accordeon- en harmoniumspel. Her en der larderen ze dat met samples; de slottrack bestaat zelfs helemaal uit veldopnames. Verder krijgen ze ondersteuning van Mikko Kosonen (elektrische en akoestische gitaar) en Pekko Käppi (jouhikko (traditionele lier), zang) van onder meer de groep Kiila. Ze wijken soms uit naar lichte experimenten en ook een heuse tango ontbreekt hier niet. Het tweetal heeft zich laten inspireren door het haast spirituele landschap van het Noorden van Karelië. Dit levert een prachtig en mysterieus geheel op.

 

Kreidler – European Song (cd, Bureau B)
Ik laveer altijd een beetje door de discografie van Kreidler, die inmiddels alweer 23 jaar meegaan. Sommige dingen vind ik echt geweldig en andere vormen een goede voldoende, maar hoef ik niet per se te hebben. Het is wel een band om altijd in de smiezen te houden, want ze gaan helemaal hun eigen gang en dat is iets wat te prijzen valt. Ze gaan zelf ook van postrock naar IDM, neoklassiek en krautrock, dus de output wil nog wel eens verschillen. Grote favorieten blijven hier Eve Future (2002) en Eve Future Recall (2004), waar ze meer de klassieke muziek opzoeken. Maar ook ervoor en erna leveren ze menig meesterwerk af. De laatste paar jaren koersen ze dikwijls richting de meer krautrock georiënteerde elektronische muziek. Eigenlijk hebben ze voordat ze, als ik goed tel elfde studioplaat, European Song uitbrengen andere muziek voor ogen. Maar ze vinden het niet passen in deze tijd waarin zoveel misgaat. Dus alle plannen overboord met andere muziek tot gevolg. Ze presenteren hier 5 tracks met een totale lengte van ruim 35 minuten. Er zit een zekere repeterende en zeer ritmische factor in hun muziek, die tegen de krautrockachtige motorik aanleunt. Daar gieten ze hun postrock en IDM sausje overheen, wat een intrigerend geheel oplevert. Voor liefhebbers van Disjecta, To Rococo Rot, Neu!, Beaumont Hannant en Autechre. De prachtige soundtrack voor het verval, de lelijkheid maar ook de hoop dat het een keer goed komt.

 

Non Band – Non Band (12”, Talmusic / Konkurrent)
De Non Band, niet te verwarren met Boyd Rice zijn NON project of de gelijknamige groep die maandelijks in café ’t Nonnetje (Amersfoort) optreedt, is een Japans trio rond zangeres Non (tevens bas en gitaar). Ze speelt eerst eind jaren 70 nog in het toonaangevende Maria 023, dat een grote invloed heeft op punkrockscene van Tokio. Daarna gaat ze in 1979 verder als de Non Band met Mitsuru Tamagaki (drums, percussie) en Kinosuke Yamagishi (viool, klarinet, mandoline). Het duurt maar liefst tot 1982 eer hun gelijknamige debuut het licht ziet op Telegraph Records. Ze brengen 6 songs van bij elkaar een goede 26 minuten. De popachtige zang van Non is een opvallend element. De muzikale omlijsting bestaat uit een geweldige mix van no wave, post-punk en avant-garde. Iedere liefhebber van muziek uit die tijd of laat ik zeggen bands als Tuxedomoon, Minimal Compact, Joy Division, Phew en door de zang wellicht ook (het veel latere) de Cranes zullen deze muziek ook waarderen. Hoewel ze wel blijven optreden moet je het qua studiowerk hiermee doen. Voor de liefhebbers heeft Talmusic nu dit inmiddels toch wel legendarische album opnieuw uitgebracht op 12”. Een subliem album dat niet mag ontbreken bij fans van de genoemde bands en genres.

 

Sodastream – Little By Little (cd, Sodastream Music)
Sodastream is in 1997 opgericht door Karl Smith (zang, gitaar, piano, keyboard, harmonica) en Pete Cohen (zang, contabas, bas, muzikale zaag). Het Australische duo laat menige mini’s en 4 albums het licht zien, waaravn de laatste in 2006. Hun warme, pastorale geluid zit meestal ergens tussen folk, sadcore, kamerpop en indierock in. Ze zullen liefhebbers van Misophone, Timesbold, Elliott Smith en Ida wel aanspreken, hoewel ze soms ook gewoon klinken als de jonge kinderen van Simon & Garfunkel. Mede door de prettige zachtmoedige zang en de contrabas hebben ze een kenmerkende sound in huis. In 2007 zijn ze officieel uit elkaar gegaan. Met enige regelmaat struin ik sites van groepen en labels langs en nadat ik deze groep ter referentie heb gebruikt, heb ik hen ook gecheckt. En ja hoor, ze zijn weer bij elkaar en hebben een maand geleden hun vijfde cd Little By Little gefabriceerd. Tien kersverse songs, waarbij ze door 7 muzikanten geholpen op viool, drums, percussie, piano, gitaar, keyboards, altviool, trompet en trombone. Of het aan deze bijdragen ligt weet ik niet, maar het geluid is wat uitbundiger. Niet meteen heel uitbundig hoor, maar opgefrist met een bruistablet. Voor de rest brengen ze weer op herkenbaar melancholische en harmonieuze wijze hun prachtmuziek. Een wonderschoon, bezinnend geheel.

 

Ulver – ATGCLVLSSCAP (cd, House Of Mythology)
Ulver – Riverhead (cd, House Of Mythology)
Ulver – The Assassination Of Julius Caesar (cd, House Of Mythology)
Ik kom Ulver eigenlijk pas op het spoor via de Britse duizendpoot Daniel O’Sullivan van (ex) Guapo, Miasma & The Carousel Of Headless Horses, Mothlite, Æthenor, Miracle, Grumbling Fur en Laniakea. Hij komt pas in 2009 bij deze Noorse groep rond Kristoffer “Garm” Rygg (zang, programmering), die al in 1993 is opgericht. Inmiddels ben ik al helemaal bij met al hun werk en is de band tot één van de favorieten uitgegroeid. Maar niets is meer in beweging dan het geluid van deze “wolven” (ulver) en zelden binnen gangbare paden; overigens wisselt de bezetting ook nog wel eens. Ze starten namelijk met een mix van black metal en folk rock. Later evolueren ze tot een veelzijdige band met vele gezichten van experimenteel en industrial tot ambient, electro en progrock. Ze werken samen met orkesten en Sunn O))), leveren soundtracks en blijven verrassen. Bij een nieuwe Ulver is het altijd even checken of je niets gemist hebt en ja hoor, twee zelfs vorig jaar. Onderstaand rijtje illustreert overigens wel op mooie wijze hoe veranderlijk dit combo is.
Eerst is er de het twaalfde studio album ATGCLVLSSCAP, dat weer een heel andere invalshoek kent. Ze extraheren de muziek namelijk uit uren live opgenomen improvisaties, die door Daniel O’Sullivan -it’s a dirty job but someone’s got to do it- uitgevlochten worden. Daarmee creëren ze 12 tracks, die hoofdzakelijk instrumentaal zijn als je de vage achtergrondzang niet meerekent; alleen in “Nowhere (Sweet Sixteen)” en “Ecclesiastes (A Vernal Catnap)”, beide bewerkingen van de songs van het album Perdition City (2000), wordt uitbundig gezongen. Het zijn een soort open soundscapes geworden vol krautrock, drones, ambient en experimenten. Aan de basis staan naast O’Sullivan (bas, gitaar) en Rygg (elektronica, percussie, zang) hier Ole Alexander Halstensgård (elektronica), Anders Møller (percussie), Jørn H. Sværen (zang), Ivar Thormodsæter (drums) en Tore Ylwizaker (keyboards, elektronica). Op fraaie wijze wordt hier laag op laag gelegd, waarbij je bij iedere luisterbeurt weer wat nieuws lijkt te ontdekken. Ze variëren daarbij ook nog met de genoemde genres, waardoor je op echt een fascinerende trip wordt getrakteerd. Echt weer iets totaal anders en toch helemaal Ulver.
Dan is er ook nog de soundtrack Riverhead. Niet de eerste, want ook Lyckantropen Themes (2002) en Svidd Neger (2003) zijn soundtracks van hun hand. Die tellen ze ook niet mee in hun totaal aantal releases. Ze hebben hier de soundtrack voor de film van Justin Oakey gemaakt. Ulver bestaat hier naast Rygg (padds, pedalen, percussie) uit Ole-Henrik Moe (hardanger viool, IJslandse viool, viool, altviool, cello), Jørn H. Sværen (blaasinstrumenten), Tore Ylwizaker (keyboards, elektronica) en Kari Rønnekleiv (hardanger viool, viool). Inderdaad een totaal andere line-up. De output is ook meer een instrumentale kruisbestuiving van drones, neoklassiek, folk, experimentele muziek en ambient. Hiermee brengen ze bepaald niet de doorsnee filmmuziek, maar een op zichzelf staand werk dat ook zonder de film moeiteloos overeind blijft. De composities zijn wel wat korter, omdat ze nu eenmaal bepaalde scènes ondersteunen. Als je de muziek hoort spreekt het zeker tot de verbeelding, maar denk je niet bij voorbaat aan een film. Het is gewoon weer een bijzonder album van dit caleidoscopische gezelschap geworden.
Tot slot dan het dertiende officiële studiowerk The Assassination Of Julius Caesar, dat wel net uit is. Ook hier is er weer een wisseling van de wacht, want naast Rygg bestaat de groep hier uit Jørn H. Sværen, Ole Alexander Halstensgård en Tore Ylwizaker. De niet onbelangrijke bijrollen zijn er voor Daniel O’Sullivan (gitaar), de legendarische Nik Turner (saxofoon), Stian Westerhus (gitaar), Anders Møller (percussie), Ivar Thormodsæter (drums), Håvard Jørgensen (gitaar), Dag Siberg (saxofoon) en de soulzangeressen Rikke Normann en Sisi Sumbundu. De omslag die ze hier laten horen is weer zo van een andere orde. Ze combineren namelijk krautrock met synthpop, soul, techno, pop en progrock. Dat larderen ze met allerhande experimenten waardoor de momenten die soms wat gladjes aandoen toch een scherp randje krijgen. Het is een even wennen aan deze wederom nieuwe sound, maar het zit zo verdomd goed in elkaar dat ze ook hier weten te schitteren. Ik denk dat het een breder publiek kan aanboren, ook bijvoorbeeld de liefhebbers van Depeche Mode, al heb ik niet het idee dat ze het daarvoor doen. Daarvoor blijven ze te eigenzinnig en niet te vergelijken met welke artiest dan ook. Ze varen gewoon hun eigen koers en sturen alleen onverwacht een ander water in. Met een geweldig album als resultaat. Zo zie je maar wat er in slechts één jaar met een unieke band als deze kan gebeuren.

https://open.spotify.com/embed/album/4LbiXx0k

Venn – Runes (cd, Full Time Hobby / Konkurrent)
Gitarist Stuart Graham en drummer/zanger Ben Leverock starten in een bandje dat geen naam mag hebben. De twee besluiten door te gaan als Venn en een derde bandlid aan te trekken, die ze via een advertentie vinden in de persoon van toetsenist/bassist John Petrie. Samen werken ze aan het officiële debuut Runes. Hierop presenteren ze 9 nummers, waarbij de eerste al meteen fijn uit de startblokken schiet. Het is namelijk een soort mengelmoes van de motorik uit de krautrock in combinatie met post-punk; zeg maar Cluster meets Joy Division. Hoewel die elementen vaker terugkeren op dit album brengen ze ook andere elementen, zoals de lome cold wave van The xx, de avant-rock van Wire, de art-rock van Liars en soms ook het gejaagde van Suicide

Zea – Moarn Gean Ik Dea (cd, Makkum Records/ Subroutine)
Groningen en Friesland, dat schijnt elkaar nog wel eens te bijten. Maar muziek blijkt zoals altijd verzoenend te werken, waardoor de nieuwe cd Moarn Gean Ik Dea van Zea gewoon op het Groningse toplabel Subroutine verschijnt in samenwerking met Makkum Records van de Friese Amsterdammer Arnold de Boer. Zea wordt in 1995 opgericht door Arnold de Boer, die we inmiddels ook al jaren kennen als de nieuwe zanger/gitarist van The Ex. In eerste instantie is het duo, maar na het debuut is het vooral zijn soloproject geworden. De Boer roert zich ook graag in de Afrikaanse landen en muziek. Zo produceert hij albums van Ghanese muzikant King Ayisoba en is hij met The Ex te horen naast de Ethiopische, helaas overleden, muzikant Gétatchèw Mèkurya en neemt hij zijn muziek deels ook zelf op in Ghana. Die invloeden komen naast break beats, indierock, lo-fi en punk op originele, cynische en energieke wijze terug op zijn 5 cd’s en diverse singles en cassettes. Een fijne grenzeloze eenmans flipperkastmuziek. Op zijn laatste cd The Swimming City (2014), wederom een geweldige, staat de hartverscheurende slottrack “Ik Kin Der Net By”. Hier zingt hij voor het eerst in zijn primaire taal, het Fries, over zijn stervende moeder en de relatie met zijn ouders. Aangespoord door Meindert Talma en mede ingegeven door de persoonlijke gebeurtenissen in zijn leven, besluit hij een album geheel in het Fries op te nemen. Dat is Moarn Gean Ik Dea geworden, een conceptueel album over de dood (mem, Corno Zwetsloot, Gétatchèw Mèkurya?) dat 10 songs rijk is. Eén daarvan is een nieuwe versie van de genoemde Friese song en daarnaast staan er bewerkte covers op van “Wurch” (It Dockumer Lokaeltsje) en “Pull The Wires From The Wall” (The Delgados), hier “Lûk De Triedden Fan De Wand” geheten. Wat meteen opvalt is dat de muziek kaler en meer akoestisch is en ook minder springerig. Alles ademt intimiteit uit en de intense emoties druipen er vanaf. Deze meer singer-songwritergerichte aanpak, aangevuld met de Afrikaanse elementen en de Friese zang vormen een bijzonder en bovenal wonderschoon geheel. Voor het melancholische, maar nimmer terneergeslagen gevoel hoef je de teksten niet te verstaan, maar als je de inhoud wilt doorgronden als niet-Fries staan er naast de Friese teksten ook Engelstalige in het boekje. Even het kanaal over om de man uit ons eigen land letterlijk te begrijpen. Door zijn sampler geeft hij er toch weer voor die typische Zea-draai aan en tevens krijgt hij nog spaarzame hulp van de jazzpianist Oscar Jan Hoogland, jazzcontrabassist Raoul van der Weide (tevens percussie) en lawaaimaker Floyd Atema. Een ander nieuw element is de spoken word, maar ook dat past hier fraai in het afwisselende, diepgravende geheel. Het maakt allemaal grote indruk. Op een merkwaardige wijze kan je hem ergens plaatsen tussen Stranded Horse, Jon Rose, Piiptsjilling, Dntel en Meinder Talma. In één woord: prachtig!

Addendum:
Sla ik na het schrijven hiervan de nieuwe OOR open en zie de fraaie recensie van de door mij zeer gewaardeerde recensent Jacob Haagsma. Hij heeft vooral veel vragen. En als iemand vragen stelt is het ook wel zo aardig om antwoord te geven, toch? Welnu:

Maar zou deze pracht wel aankomen bij de mensen die de moedertaal van Arnold (en mij) volstrekt niet machtig zijn?
Jazeker, muziek kent een universele emotie die je woordeloos kunt begrijpen. Zo heb ik bijvoorbeeld Armeense, Griekse en Turkse muziek die ik versta door de emotie. Of de impact hetzelfde is, is de vraag, maar de emoties die de Boer hier naar buiten brengt zijn voelbaar.
Zouden jullie wel doorhebben dat dit een soort themaplaat-in-het-Fries is, over de dood?
Ik heb zoals boven vermeld de Engelstalige teksten erbij en de titel geeft ook al enigszins iets weg. Tevens ben ik bekend met het eerder genoemde single en het verhaal er omtrent.
Maar dan zo dat er toch een zekere lichtvoetigheid in sluipt, prachtig vormgegeven ook nog?
Die lichtvoetigheid merk je al aan het feit dat het nergens terneergeslagen wordt, mede door de fraaie samples, dus ja.
Moet ik erbij vertellen dat Moarn Gean Ik Dea zijn wortels heeft in de single “Ik Kin Der Net By”, Zea’s eerste Friestalige nummer, over zijn stervende moeder, opgenomen in Ghana?
Mag, maar ik heb dat ook aan mijn lezers en lezerinnetjes verteld.
Dat “Efter It Gerdyn” een cryptische boodschap lijkt van gene zijde?
Oh dat had ik er zo snel niet uitgehaald, maar zoals altijd weet je me wel te verrassen met je schrijven.
Dat ik nu pas doorheb dat “Wurch”, een bewerking van een oud nummer van Friese pophelden/dwarsbongels It Dockumer Lokaeltsje, ook gewoon over doodgaan gaat?
Daar zeg je me wat! Dat het een cover is geeft het boekje wel weg, maar de inhoud is daar best poëtisch in versleuteld. Maar ik denk dat je gelijk hebt.
Hebben jullie al door dat De Boer deze uiterst persoonlijke plaat alleen maar in zijn memmetaal kon maken, waarin hij meteen een bijzonder sterkte stem vindt, als tekstenmaker?
Tietentaal? Nee geintje! Ja dit is iets zo urgents dat moest in zijn moerstaal. En ja, hij profileert zich optimaal als tekstschrijver hier.
Dat “Hâld Dy De Harses” – spoken word op een rare collage – weer een heel ander, maatschappelijk temperament aanboort?
Het andere maatschappelijke temperament moet je me nog eens uitleggen, maar fraai is het sowieso.

Vraag terug: kan het zijn dat jij een heel andere beleving hebt bij het album dan ik omdat jij de taal verstaat en dat we toch allebei tot de conclusie kunnen komen dat het een bjusterbaarlik meesterwerk is? En had je die van The Delgados er ook uitgehaald?

Dank voor je mooie woorden!

 


 

Martijn

Ulver The Assassination Of Julius Caesar
Ulver, „wolves” in het Engels, „evolve”, ze waarschuwden ons al menig maal en ook op deze nieuwe plaat worden er weer nieuwe wegen betreden. Deze keer een stevig scheut jaren tachtig-pop. Geen spierballenwerk, a la de populaire retro synth wave, maar wel pop songs. Wel met extra sfeervolle uitstapjes die we wel van ze kennen, of wat meer lawaai dan gewoon is. Even wennen, maar wel lekker, vooral zanger Kristoffer Rygg kan lekker shinen in dit materiaal.

Freddie Gibbs You Only Live 2wice
Geechi Suede Fishnet Skyscrapers
Freddie Gibbs werd gearresteerd vanwege een beschuldiging van verkrachting in Frankrijk, ten onrechte volgens hem en inmiddels is hij weer vrij „on bail”. Iets wat hem getuige de zijn nieuwe album niet koud laat. Het is een goed album in ieder geval, maar niet zo sterk als Piñatas en Shadow Of A Doubt. Geechi Suede drop vrij kort na zijn vorige album weer een solo joint. Zonder Sonny Cheeba is het geen Camp Lo, maar toch weer vermakelijk genoeg voor de liefhebber.

Kendrick Lamar DAMN.
Veel buzz in the game over deze. To Pimp A Butterfly was een echt album album, de reden waarom het zo’n hoge ogen gooide bij mensen buiten de rap scene. DAMN. voelt meer als een mixtape, meer echte hedendaagse hip hop, dus minder opzichtige funk en jazz. Zelfs de featuring van U2 bijna onopvallend. Wel een goede mixtape en ook tekstueel is Lamar weer goed bezig, met de nodige mysterieuze lines om die buzz lekker door te laten lopen (geen tweede album met pasen, nochtans).